donderdag 19 november 2009

Berichten uit de verte (5)



SAMEN VOOR ONS EIGEN

Symmetrisch offensief
Er is veel aandacht voor de problemen die sommige immigranten met zich meebrengen en in het bijzonder voor de groep met een islamitische achtergrond. Gezien de aard van die problemen is dat niet verwonderlijk en ook nodig. Zeker wanneer het gaat om die nieuwe Nederlanders die onze wetten en dus onze normen (dat is iets anders dan waarden) niet accepteren. Maar die groep is niet de enige die zich hufterig en vaak ook crimineel gedraagt. Feitelijk hebben we te maken met twee minderheidsgroepen die zowel tegenpolen van elkaar zijn als spiegelbeelden. Het gaat om boze blanke mensen (vooral mannen) uit de lagere middenklasse en boze mensen (vooral mannen) uit de gekleurde onderklasse. Zij laten zich door niemand iets zeggen of verbieden. Ze zijn permanent verongelijkt en voelen zich voortdurend tekort gedaan. Ze vertrouwen niemand buiten de eigen groep en kijken neer op alles wat vreemd of anders is. En dat uit zich in intimidatie van en geweld tegen politiemensen, ambulancepersoneel, brandweerlieden, leraren, buschauffeurs, verkeersregelaars of wie dan ook die niet bevalt.
Daar moet iets mee. Maar wanneer daartegen een offensief wordt ingezet moet dat wel symmetrisch gebeuren. Dus niet aan de ene kant harde inburgering eisen en aan de andere kant voornamelijk begrip opbrengen voor onze eigen witte maatschappelijk teleurgestelden. Beide groepen bedreigen met hun intimidaties en hun autoritair optreden de leefbaarheid van onze pluriforme samenleving. Alleen een gezamenlijke aanpak zal helpen.

Waar komt het vandaan
Er zijn meerdere verklaringen voor de huidige verloedering van onze samenleving. Eén verklaring is dat de in de jaren zestig bevochten vrijheden uit de hand zijn gelopen. Het streven naar grotere vrijheid, gelijkheid, democratie en welvaart heeft als onbedoeld bijproduct burgers opgeleverd die recht menen te hebben op àlles. Een groep die geen gevoel voor solidariteit heeft anders dan in eigen kring. Mensen die voornamelijk anderen de schuld geven van eigen falen en onvrede. Die anderen zijn dan, traditiegetrouw, groepen die lager op de maatschappelijke ladder staan en, het andere uiterste, de elite. Ze wantrouwen de overheid ten diepste, en tegelijkertijd overladen ze diezelfde overheid met eisen. En tweede verklaring is die van de teloorgang van de zuilen. Met het wegvallen van die vertrouwde maatschappelijke structuur zijn de mensen hun houvast kwijt. God noch Drees bieden nog garanties voor de toekomst. De derde verklaring betreft de effecten van de neoliberale ‘vermarkting’ van de nutsvoorzieningen. Het terugtrekken van de verantwoordelijke overheid wordt gezien als een belangrijke reden voor mensen om af te haken en geen gezag meer te erkennen. Men heeft het gevoel en soms ook de zekerheid dat de gezondheidszorg en het onderwijs sindsdien alleen maar slechter zijn geworden, het openbaar vervoer en het gas- en licht alleen maar duurder, de huizen onbetaalbaar en de banken onbetrouwbaar. En dat terwijl de nieuwe bazen van de geprivatiseerde nutsvoorzieningen en van de banken ondertussen onvoorstelbaar steenrijk zijn geworden. Tegelijkertijd wordt de gewone, hardwerkende Nederlander geconfronteerd met een aanzienlijke groep immigranten en andere vreemdelingen die, is het algemeen gevoelen, hun werk inpikken, overal voordringen en voorrang krijgen en die alleen maar profiteren. En de nergens meer voor verantwoordelijke en bange overheid beschermt hen daartegen niet.

Modern populisme
Populisme is van alle tijden. Altijd zijn er groepen geweest die in de knel kwamen en na lang veronachtzaamd te zijn het heft dan maar in eigen hand namen. Goethe, tijdgenoot van de Franse revolutie, steunde de roep om soevereiniteit van het volk en vond de absolute macht van de vorsten niet van God gegeven, maar signaleerde tegelijkertijd dat ‘het volk in opstand’ vrijwel altijd in verkeerde handen viel. En toen moesten Stalin en Hitler nog komen. Maar het moderne, naoorlogse, Europese populisme is niet hetzelfde als eerdere bewegingen op dat gebied. Het moderne populisme verbindt klassieke noties van volksheerschappij en nationale soevereiniteit aan individuele vrijheidsgedachten en aan het neoliberale marktdenken. Liberalisme en populisme gaan zo samen en het liberale individualisme kan dan populistische vormen aannemen en zich zelfs verbinden met xenofobie en nationalisme. Populistische partijen hanteren dan ook gretig de liberale vrijheidsretoriek. De partij van Jörg Haider heette Freiheitliche Partei Österreichs, de eerste coalitie van Berlusconi droeg de naam Huis van de Vrijheden en de huidige Het Volk van de Vrijheid. En Wilders’ beweging heet ook niet voor niets Partij voor de Vrijheid.
Populisten gaan er van uit dat het volk als eenheid bestaat. Eenheid qua cultuur, geschiedenis en etniciteit. Maar ‘het volk’ bestaat niet. Een samenleving bestaat per definitie uit minderheden. En in een democratie voert de gekozen elite strijdt over de compromissen tussen die minderheden. Zij doen dat om de onderlinge verschillen draaglijk te houden en de samenleving vreedzaam. Daar botsen populisten en democraten. De populist stelt de etnos (de eigen, etnische, groep) voorop en niet de demos (de democratie). Het volk moet een zuivere eenheid vormen en dus is er geen afzonderlijke plaats voor minderheden. Omdat een democratische samenleving per definitie is gebaseerd op ‘samen verschillend zijn’, maakt dat dit streven van de populisten anti-democratisch is. Dat men democratisch gekozen is, doet daar niets aan af.

De elite
Nederland is de laatste decennia nogal omzichtig omgegaan met immigratie en immigranten. Ideële en ook wel enigszins naïeve overwegingen speelden daarbij ongetwijfeld een rol. De positieve kanten van de immigratiesamenleving werden vooral benadrukt en de negatieve vergoelijkt. Maar dat is ingrijpend veranderd. De problemen van dit land worden inmiddels voornamelijk geweten aan de elite en dan vooral die van de linkse kerk met hun verwerpelijke geloof in de multiculturele samenleving. Dat geloof is dan ook ingeruild voor de noodzaak te weten wat of wie wij zijn en wat Nederland Nederland maakt (geschiedenis canons, het Nationaal Historisch Museum). Nederland als save haven in een overigens boze wereld. Dat is niet alleen naïef maar ook nogal gevaarlijk. Je kunt Nederland niet isoleren van de rest van de wereld. Bovendien is het hier en daar ook aan de hysterische kant: het gedoe rond Sinterklaas, zowel veroorzaakt door Verdonk als door het CDA die het kruis terug wil op de mijter van de Sint, is daar een mooi voorbeeld van. Te denken dat dit helpt om onze ontregelde samenleving weer op de goede weg te krijgen is een ernstig misverstand. Er zal echt iets fundamenteels moeten gebeuren. En wat vindt de elite –de politieke, die van de media- hiervan? Stelt zij er iets tegenover? Nee, niets. De elite is onzeker en laf geworden en heeft niet meer de moed om welk ideaal dan ook, laat staan een beschavingsideaal, te formuleren en uit te dragen. Sterker nog: de politieke elite en de media hebben zich op sleeptouw laten nemen door de populisten en het populistisch discours. Omdat het daarop geen antwoorden heeft.

Is de pvv fascistisch en vergelijkbaar met de nsb?
Sommigen, ook media, doen er nogal luchtig over: de PVV is niet meer dan clownerie, het gaat vanzelf wel over en vergelijkingen met nazi’s, fascisten of de NSB &cetera zijn over de top. Een vergelijking tussen de PVV en de NSB is op zijn minst ‘sociaal onhandig’. Maar ook, volgens Moscowitsch in De Wereld Draait Door, ‘een belediging van twee miljoen mensen’. Van Nieuwkerk vroeg vervolgens niet hoe dat dan moest met de 8% van de Nederlanders die ooit (democratisch) op de NSB stemden.
Over het algemeen worden vooral de verschillen tussen nazi’s, fascisten en de PVV benadrukt. En die zijn er natuurlijk ook. De tijden en de middelen zijn anders en ook de PVV heeft de wijsheid van nu als het over het verleden gaat. De PVV houdt er dan ook geen stormtroepen op na, zoals de SA van de NSDAP. (Overigens hadden in die tijd ook de SPD en de KPD dergelijke knokploegen.) Maar er is wel een modern alternatief: het internet. Wanneer Herman van Veen op de televisie een vergelijking maakt tussen de PVV en de NSB, wordt hij digitaal beschimpt en bedreigd op een manier die zich niet wezenlijk onderscheidt van hoe dat eerder ging. En dat terwijl hij een volstrekt redelijke en historisch interessante vraag opwierp. Het zou de media sieren wanneer zij eens serieus werk maakten van het verschijnsel PVV, de oorzaken en de historische context. Dat doen ze niet. Net als de politiek waaien ze mee met de populistische retoriek. Daar schuilt het gevaar. De ideeën en de retoriek van de PVV zijn niet waardevrij. Taal is niet waardevrij. Niet zozeer het feitelijk handelen van Wilders, maar wat hij denkt en zegt (en hij zegt wat hij denkt) is bedreigend voor de democratie.

Tenslotte
Paul Frissen stelde laatst in een interview in de Volkskrant dat alle pogingen om burgers in een keurslijf te dwingen de vrijheid aantasten en daarmee de democratie. Niet alleen de PVV met haar eis tot assimilatie vormt zo’n bedreiging, het geldt ook voor de interveniërende staat, die weliswaar voor de nutsvoorzieningen niet meer verantwoordelijk is,  maar die steeds verdergaand wil bepalen wat we wel en niet mogen doen: of we mogen roken, wat we eten, hoe we onze kinderen opvoeden, die ons overal in de gaten houdt met camera’s en die onze etnische achtergrond en ons geloof registreert. Maar die de werkelijke problemen van onze samenleving niet oplost.
Wat we nodig hebben volgens Frissen is een elite met als kenmerken: bescheidenheid, terughoudendheid, zelfbeperking, voortreffelijkheid, deugdzaamheid, tolerantie, elegantie, hoffelijkheid, verdraagzaamheid, prudentia. En voegt hij er aan toe: ‘Hoffelijkheid in het debat is nodig omdat iedereen gelijk kan hebben. Die regel gaat vooraf aan het eigen gelijk.’ De van de tijdgeest doortrokken interviewer vraagt zich vervolgens af of zulke mensen wel bestaan. Ja, die bestaan maar ze zullen in het huidige klimaat wel uitkijken om hun nek uit te steken. Ik ben bang dat onze verwaarloosde en angstige samenleving eerst verder in crisis zal moeten raken alvorens er weer een weg naar boven kan worden gevonden. Laten de democratische politieke partijen –daar reken ik alle partijen behalve de PVV en de TON onder- beginnen om op grond van inhoudelijke overwegingen elke samenwerking met populistische en anti-democratische partijen van de hand te wijzen. Tegelijkertijd moeten zij starten met het formuleren van visies en reële oplossingen voor de reële problemen van onze samenleving. Zeg maar, het inzetten van een symmetrisch offensief.

[‘Samen voor ons eigen’ was het motto van de Tegenpartij van Jacobse en Van Es, Van Kooten en De Bie, 1979-80]

zaterdag 24 oktober 2009

IEDER MENS ZEGT WEL EENS IETS ONZINNIGS. ELLENDIG IS HET ALLEEN ALS HIJ ER GELEERD BIJ DOET. DE ESSAIS VAN MONTAIGNE



Dit wordt het laatste hoofdstuk van mijn boekje-in-wording. De delen I en III fungeren als een soort boekensteunen van deel II, het middendeel, dat over mijn geboorte en eerste jaren in Duitsland gaat.



Michel de Montaigne


Montaigne / Valleton

Michel de Montaigne hekelde de ‘nouveaux riches’ die, wanneer ze genoeg geld hadden verdiend, bijvoorbeeld met de handel in wijn, een kasteel kochten waar een predikaat aan was verbonden. Zo, vond hij, rommelden deze bourgeois zich de adel in. Kennelijk was hij zich niet bewust van zijn eigen familiegeschiedenis. Michel de Montaigne’s overgrootvader, Raymon Eyquem, werd in 1402 geboren als eenvoudig burger die zich ontpopte tot een succesvol handelaar in haring en wijn. Rijk geworden trouwde hij zich omhoog in de bovenlaag van de bourgeoisie van Bordeaux en op latere leeftijd kocht hij een kasteel met predikaat uit de 14e eeuw: het château Montaigne. Michel’s grootvader vergrootte het bezit van geld, huizen en land en zijn vader, Pierre Eyquem wist de op zich onbeduidende landadelijke titel op te waarderen door dienst te nemen in het leger van Frans I. En behalve dat bekleedde hij tal van openbare functies waaronder die van burgemeester van Bordeaux. En zo kon het dus kennelijk komen dat Michel de Montaigne het gevoel had dat zijn adel van meet af aan van adel was.
Het kasteel Montaigne ligt ten westen van Bergerac, ten oosten ervan liggen de kastelen Garraube en Boissière. De laatste twee waren eigendom van de familie Valleton. Inderdaad, rijk geworden met de handel in wijn. De Valleton’s zijn mijn voorouders van moeders kant. Ten tijde van Michel de Montaigne waren zij nog ‘gewone’ burgers van Bergerac. De kastelen en de titels kwamen later. De twee families zullen elkaar in Montaigne’s tijd niet hebben gekend. Hoewel ik aanneem dat toen Michel de Montaigne –net als zijn vader daarvoor- burgemeester van Bordeaux was, ze dat in Bergerac wel wisten.

   
Château de Montaigne



 Château de Garraube


De bibliotheek van Michel de Montaigne

  
Hoe ik seigneur de montaigne ontmoette

Wanneer je in onze tijd fysiek zou willen verhuizen naar de 16e eeuw, is dat –anders dan in de middeleeuwen toen bilocatie nog bestond- onmogelijk. Wellicht zou de tijdmachine van professor Barabas uitkomst kunnen bieden of een advies van Negro Kaballo, het paard met gymnasium uit Erich Kästner’s De 35ste mei. Ook heb ik aan Hendrik Willem van Loon gedacht. In zijn boek Pioniers der Vrijheid, dat ik als jongen las, ontving hij talloze, al lang dode, historische figuren in zijn huis in Veere. Maar uiteindelijk, moest ik helaas vaststellen, restte er maar één manier: die van de geest. Zo ontmoette ik Montaigne eerst door zijn Essais en zo ben ik later met hem in gesprek geraakt.

Vraaggesprek[1]

Mijnheer de Montaigne, het is mij een grote eer om hier, in Uw schitterende bibliotheek, met U van gedachten te mogen wisselen. Mijn eerste vraag gaat, als U het mij toestaat, over hoe U schrijft. Heeft U een methode en zo ja, welke is dat?
Mijnheer! De enige die mijn argumenten in het gelid zet, is het toeval: al naar de gedachten mij invallen, schrijf ik ze op. Ze komen nu eens in zo groten getale dat ze elkaar verdringen, dan weer druppelen ze een voor een binnen. Ik wil laten zien hoe ik gewoonlijk en van nature mijn gang ga, al is dat nog zo onordelijk. Ik geef uiting aan mijn gedachten zoals ze in mij opkomen. Daarbij komt dat de door mij behandelde zaken niet van dien aard zijn dat het onaanvaardbaar is als ik er niets van af weet of er terloops en zonder veel diepgang over praat. Ik zou de dingen best graag beter willen doorgronden, maar voor dit inzicht wil ik niet de prijs betalen die ervoor staat. Ik ben van  plan de rest van mijn leven aangenaam door te brengen, zonder zware inspanning. Voor niets ter wereld zou ik mij hoofdbrekens willen bezorgen, zelfs niet voor de wetenschap, hoe waardevol die ook is. Al wat ik verlang van een boek is dat het mij op een gedegen manier bezighoudt en vermaakt; en voorzover ik studeer ben ik er alleen maar op uit de kennis over mijzelf te verdiepen en te leren hoe ik op de juiste wijze moet leven en sterven: Dit is de finish, waar mijn paard in het zweet heen moet.[2]
U schrijft dus associatief, leest U ook zo?
Als ik genoeg heb van het ene boek, neem ik een ander; en ik geef mij er alleen dan aan over als het nietsdoen mij gaat vervelen. Omdat ik de klassieken rijker en spannender vind, houd ik mij nauwelijks met de modernen bezig, maar ook niet met de Grieken, omdat in mijn jeugd mijn kennis van het Grieks[3] te beperkt is gebleven om er vat op te hebben. Tot de eenvoudigweg vermakelijke boeken uit de moderne tijd reken ik Boccaccio’s Decamerone, Rabelais en de Basia van Janus Secundus[4]als die in deze categorie thuishoren: zij zijn het waard om aandacht aan te besteden. De Amadis[5] en dergelijke geschriften konden mij zelfs in mijn jeugd niet boeien. Het klinkt misschien vermetel of verwaten, maar ik moet bekennen dat mijn oude, logge geest niet langer door Ariosto[6] wordt geprikkeld, en zelfs niet meer door de goede Ovidius[7]: de ongedwongen, vindingrijke stijl waarmee hij mij vroeger in vervulling bracht, kan vandaag de dag nauwelijks meer mijn aandacht vasthouden.
Maar u citeert veel klassieken in Uw werk. Bijvoorbeeld Cicero komt veelvuldig voor.
Cicero! Daar noemt U iemand. Ik vind zijn manier van schrijven , en alle stijlen die er op lijken, vervelend: zijn voorwoorden, verklaringen, planmatige opzetten en idiomatische verhandelingen nemen het grootste deel van zijn werk in beslag. Het levendige en kernachtige wordt verstikt onder zijn ellenlange gekunstelde zinnen. Als ik, na hem één uur te hebben gelezen, wat voor mijn doen lang is, naga wat mij er werkelijk van bijblijft, blijkt meestal dat het niets dan wind is, en dan is hij nog steeds niet toegekomen aan de argumenten waarop zijn betoog steunt, of aan de kern van de zaak waarop ik gespitst ben. Omdat ik alleen maar wijzer wil worden, en niet knapper of welsprekender zijn die staaltjes van aristotelische redeneerkunst[8] niet aan mij besteed; ik wil dat een auteur met de hoofdzaak begint; wat dood en wellust is, weet ik best, die begrippen hoeft hij niet uitgebreid te ontleden. Ik ben van meet af aan op zoek naar sterke, overtuigende redenen om mij tegen deze twee machten te weer te stellen. Dat leer ik niet van taalkundige spitsvondigheden of vernuftig geconstrueerde zinnen en redenaties. Ik verlang naar betogen die meteen insnijden op de kern van het probleem, maar de zijne draaien om de hete brij heen. Ik wil niet dat iemand mij er met mijn haren bijsleept en wel vijftig keer als een heraut tegen mij roept: ‘Luister goed!’ Bij hun godsdienstoefeningen zeiden de Romeinen: Hoc age (let op), zoals wij in de mis Sursum corda (verhef Uw hart) zeggen. Voor mij zijn het louter overbodige woorden. Ik heb zelf voldoende in huis en kan het zonder kruiden of sauzen stellen. Ik doe mijn maal zonder toespijs. Door al die entrees en voorgerechten wordt mijn eetlust niet opgewekt, maar juist bedorven.
In het algemeen verlang ik naar boeken die kennis toepassen, niet naar boeken die kennis opkloppen.
Seneca, Plutarchus, Plinius en hun gelijken gebruiken geen Hoc age; die willen lezers hebben die uit zichzelf al op hun qui-vive zijn.
U vindt Cicero dus eigenlijk slappe thee. Pardon, thee zegt U niets. U vindt Cicero een beetje een zeur.
Tja. Over Cicero deel ik de gangbare mening dat hij behalve zijn kennis niet veel voortreffelijke eigenschappen bezat: hij was een brave burger, goedaardig, zoals de meeste dikke en uitbundige mensen; maar eerlijk gezegd wel een grote slapjanus en een ambitieuze ijdeltuit. En ik kan hem maar moeilijk vergeven dat hij zijn poëzie goed genoeg vond om gepubliceerd te worden. Dat iemand slechte verzen schrijft is nog tot daaraan toe, maar dat hij niet heeft beseft dat ze een smet wierpen op zijn roemrijke naam, getuigt van gebrek aan inzicht. Maar zijn welsprekendheid is beslist weergaloos. Volgens mij zal niemand hem daarin ooit evenaren.
Dank voor Uw uitvoerige antwoord. De toekomstige lezer heeft zo zeker een beeld gekregen van hoe U schrijft en leest. Nu wil ik U, als U het mij toestaat, nog enkele vragen stellen op ander gebied. Het is moeilijk kiezen want U heeft eigenlijk over alles geschreven. Maar ik ben, gezien de omstandigheid waarin ik verkeer, vooral geïnteresseerd in Uw opvattingen over de dood. U hebt daarover, ondermeer, geschreven dat ‘filosoferen leren is hoe te sterven’. Kunt U mij dat uitleggen?
Het spijt me, maar ik moet het dan toch nog even over Cicero hebben. Cicero zegt dat filosoferen niets anders is dan je voorbereiden op de dood. Dit is zo, omdat studie en beschouwing onze geest min of meer van onszelf verwijderen en hem bezighouden buiten ons lichaam, een toestand die lijkt op de dood en daar in zekere zin een les in is; of omdat alle wijsheid en menselijke redenatie uiteindelijk hier op neerkomen dat zij ons leren niet bang te zijn om dood te gaan. De dood is onvermijdelijk. Maar, als wij er bang voor zijn, is hij een gestage bron van lijden, waarvoor geen enkele verlichting bestaat. Er is geen plaats waar hij niet bij ons kan komen; al kijken wij voortdurend naar alle kanten om ons heen, als in een vijandig gebied: altijd hangt hij ons boven het hoofd, als Tantalus’ rotsblok.[9]
De eindbestemming van ons leven is dus de dood, dat moeten wij dan ook in de gaten houden. Want, hoe kunnen wij, als de dood ons afschrikt, ook maar één stap voorwaarts doen zonder dat het zweet ons uitbreekt? Geen mens is zo afgeleefd of hij zal, zo lang hij nog niet zo oud is als Methusalem, denken dat hij nog wel twintig jaar mee kan. 
Horatius schrijft: ‘Denk bij elke dag die aanbreekt dat het je laatste is. Dan kan je blij zijn met alle onverhoopte uren’.
Ja, dat is ook zo. We weten niet waar de dood ons opwacht, laten we hem dus overal verwachten. Je instellen op de dood is je instellen op de vrijheid. Als je geleerd hebt hoe je sterven moet, heb je afgeleerd slaaf te zijn. Als je op de dood bent voorbereid, ben je los van alle onderworpenheid en dwang.

Waar de essais over gaan

Een opsomming.De Essais van Michel de Montaigne gaan over: de ledigheid, de vriendschap, de eenzaamheid, de wisselvalligheid van onze daden, het oefenen, het berouw, de kunst van het discussiëren, over hoe men pas na onze dood over ons geluk kan oordelen, dat filosoferen leren is hoe te sterven, over een gewoonte op het eiland Cea, over hoe te oordelen over andermans dood, over de ervaring, over enige verzen van Vergilius, de verwaandheid, de ijdelheid, het uiterlijk, kannibalen, het geweten, de wreedheid, over lafheid als de moeder van de wreedheid, over het bestraffen van de wreedheid, over koetsen, kreupelen, schoolfrikken, over de opvoeding, de genegenheid van ouders voor hun kinderen, over dat kinderen op hun ouders lijken, over onze gevoelens die voorbij het leven reiken, over dat ons gemoed zijn emoties af reageert op de verkeerde dingen als de echte ontbreken, over leugenaars, het doen van voorspellingen, de macht van de verbeelding, over wie zich inbeeldt dat hij uit kan maken wat waar is en wat niet, over een dwaas is, over dat wij om hetzelfde lachen en huilen, over de ijdelheid van woorden, loze spitsvondigheden, over dat er morgen weer een dag is, over boeken, over het logenstraffen, over wat nuttig en eerbaar is, over hoe je een goed gebruik kan maken van je wilskracht, over verschillende methodes die tot hetzelfde doel kunnen leiden, over standvastigheid, over dat de een zijn brood de ander zijn dood is, over gewoontes en dat je eenmaal aanvaarde wetten niet zomaar veranderen moet, over wisselende uitkomsten bij eenzelfde doelstelling, over dat wij bescheiden moeten oordelen over Gods beschikkingen, over dat het Fortuin vaak gelijke tred houdt met de rede, over de ongelijkheid onder ons mensen, over het bidden, over onze tijd van leven, over hoe onze geest in zichzelf verstrikt raakt, over dat onze verlangens toenemen als ze worden tegengewerkt, over roem, over duimen, over een gedrochtelijk kind, over drie vormen van omgang, over afleiding en over de nadelen van een hoge positie.
Denkwijze en manier van schrijven. Je kan zeggen dat de denkwijze van Montaigne drie fasen heeft gekend: een eerste stoïcijnse, een tweede sceptische en een derde epicuristische. Maar omdat hij zijn Essais steeds met nieuwe gedachten en ideeën is blijven aanvullen, zonder de eerdere te schrappen, lopen die drie fasen nogal dooreen. De Essais wemelen dan ook van de contradicties. Ze zijn letterlijk probeersels, proeven, toetsen, geestelijke experimenten. Dogmatiek is Montaigne totaal vreemd.
Toch iets over zijn drie fasen. De stoïcijnse.  In navolging van Aristoteles is Seneca, met wie Montaigne zich verbonden voelde, van mening dat het denken in dienst moet staan van het zoeken naar een juiste wijze van leven. Dat kan alleen wanneer men een zekere onverschilligheid weet op te brengen voor alles wat pijn of plezier veroorzaakt. Men had er in Montaigne’s tijd (en later trouwens ook) dan ook geen moeite mee om het stoïcisme en het christelijk geloof met elkaar te verbinden. In zijn tweede fase neigt Montaigne steeds meer naar een sceptische levensvisie. De kern daarvan is dat iets mooi of dwingend kan worden gezegd, maar dat wil dan nog niet zeggen dat het noodzakelijk waar is. Uiteindelijk is alles subjectief en dus ook relatief.
Hoewel Montaigne katholiek was, lijkt zijn beweeglijk scepticisme z’n atheïsme te omhullen. Montaigne’s epicurisme of hedonisme kan worden getypeerd door het verspringen van zijn aanvankelijke –stoïcijnse- idee over de dood, namelijk dat het leven in de dood zijn eigenlijke einde en bestemming vindt naar het leven als doel op zich waar de dood van buitenaf een einde aan maakt. Het leven zelf en het genieten ervan wordt steeds belangrijker voor Montaigne, zo belangrijk dat het niet verstoord moet worden door de gedachte aan de dood.
Over zijn manier van schrijven valt een aantal verschijnselen op die in al zijn Essais voorkomen. In de eerste plaats de grote hoeveelheid citaten die, ingelijfd in het betoog zelf, wezenlijk tot de structuur van de Essais behoren. In onze tijd heeft Cyril Connoly in zijn Unquiet Grave iets vergelijkbaars laten zien. Verder wemelen de Essais van de anekdotes. Meestal zijn dat illustraties bij een eerder behandeld onderwerp, maar vaak ook loopt het uit de hand en wordt de overgang van het een naar het ander onduidelijk. In de Essais ontbreekt iedere vorm van constructie. Montaigne begint zonder vastomlijnd plan. En het komt dan ook regelmatig voor dat de titel van een essay niet of nauwelijks de inhoud ervan dekt. Naar aanleiding van wat hij leest, probeert hij zich een beeld te vormen van zichzelf en daarmee dat van de mens. Hij denkt associatief, zelfs soms nonchalant. Een essay is dan ook nooit af. Het staat steeds open voor nieuwe verhalen, opmerkingen en aanvullingen, zonder dat het overigens in zijn structuur verandert. Montaigne schrijft in een ‘style naturel’[10] , zijn zinnen rijgen zich als van-zelfsprekend aaneen, hij probeert elk cliché of vooroordeel te vermijden. Montaigne’s denkmethode is een vorm van protest tegen een al te geordende rationalistische denkwijze. Hij tastte daarmee, ruim voor Descartes, de ‘schijnbare’ kracht van de vereenvoudigingen van het puur systematisch denken aan. Enfin. Het lezen van Montaigne’s Essais is een verslavende bezigheid. Je hebt voortdurend het gevoel direct met hem in gesprek te zijn. Met een zeer scherpzinnig en bovendien aardig mens. Iemand met wie ik bevriend ben geraakt.

Michel de Montaigne

Michel Eyquem de Montaigne werd op 28 februari 1533 in Bordeaux geboren. Hij stierf op 13 september 1592 op zijn kasteel. Zijn vader, Pierre Eyquem, gaf zijn zoon een humanistische, maar wel erg radicale opvoeding. Als baby werd hij bij een min ondergebracht die in een arm dorp woonde om hem daar op te voeden tot een nederige levenswijze. Vanaf zijn derde had hij een huisleraar die geen Frans sprak. Het was dan ook de bedoeling om Michel in het Latijn te leren spreken. Op zijn zesde ging Michel naar het Collège de Guyenne, een humanistisch bolwerk. Daar bleef hij tot zijn veertiende en leerde er Frans, werd ingewijd in de Latijnse poëzie, het klassieke Grieks, in de retorica en wat verder behoorde tot een humanistische opvoeding. Na het Collège studeerde  hij rechten in Bordeaux.
Toen hij één-en-twintig was werd hij benoemd tot raadsheer aan het Cour des Aides (een instelling die over belastingen ging) in Périgueux en die later werd samengevoegd met het gerechtshof in Bordeaux. Daar raakte hij bevriend met Étienne de la Boétie, zijn boezemvriend tot aan diens vroege dood in 1563. Als rechter werd Montaigne geconfronteerd met de eerste processen tegen protestanten, de Hugenoten. In 1561 werd Montaigne als afgevaardigde van Bordeaux naar het hof van Frans II in Parijs gestuurd. Daar bleef hij anderhalf jaar. In 1562 trouwde hij met de veel jongere Françoise de la Chassaigne. Ze kregen zes dochters waarvan er maar een in leven bleef. In 1568 stierf Montaigne’s vader en erfde hij zijn kasteel. Hij trok zich vervolgens terug uit de politiek en de rechterlijke macht om zich te wijden aan het lezen en schrijven. Van zijn vriend De la Boétie erfde hij zo’n duizend boeken, de basis van zijn later zo beroemde bibliotheek. Ondanks deze retraite benoemde koning Hendrik IV hem tot kamerheer. Door de moord in 1572 op twintigduizend Hugenoten in de Bartholomeüsnacht was Montaigne diep geschokt. Wie hem leest begrijpt daar alles van. In 1580 verscheen de eerste versie van de Essais. In dat jaar ging hij op reis, ondermeer om in kuuroorden verlichting te zoeken voor niersteenaandoeningen. Hij bezocht Noord Frankrijk, Zuid Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Italië. In Rome verbleef hij langdurig. En daar kreeg hij het bericht dat hij tot burgemeester van Bordeaux was gekozen. Aanvankelijk zag hij daar niets in, maar een bevel van de Franse koning maakte duidelijk dat hij deze benoeming niet kon weigeren. Hij bleef twee termijnen burgemeester, iets wat ongebruikelijk was. Daarna kon hij zich weer tot aan zijn dood aan zijn Essais wijden. Na zijn dood hebben zijn vrouw en Pierre de Brach, advocaat, dichter, uitgever en vriend van Montaigne, de aantekeningen die hij in de laatste editie van de Essais maakte, in het net overgeschreven en voor publicatie klaar gemaakt.

Aan de lezer[11]

Dit boek, lezer, is er een te goeder trouw. Het waarschuwt U vooraf dat ik hiermee slechts persoonlijke en privé-doeleinden heb nagestreefd. Ik heb het net zomin om U te dienen als voor mijn eigen roem geschreven. Daartoe zijn mijn krachten niet toereikend. Het is slechts bestemd voor mijn vrienden en verwanten: als ik hun ben ontvallen (en dat zal weldra het geval zijn), kunnen zij er iets van mijn aard en mijn stemmingen in terugvinden en aldus de herinnering aan mij levend houden. Als het mij te doen was geweest om de bijval van de wereld, zou ik mij mooier en meer bestudeerd hebben voorgedaan. Ik wil dat men mij ziet in mijn eenvoud, gewoon zoals ik ben, ongedwongen en zonder opsmuk: want ik portretteer mijzelf. Hier zullen zowel mijn gebreken als mijn natuurlijke gedaante onverbloemd worden weergegeven, voor zover het fatsoen mij dit toestaat. Als ik onder een van die volken had geleefd waarvan het heet dat zij nog de gelukzalige vrijheid van de oorspronkelijke natuurwetten genieten, weet dan dat ik mij volgaarne spiernaakt had laten zien, ten voeten uit. Dus lezer, ik vorm zelf de stof van mijn boek: het is onjuist Uw tijd te verdoen met een zo frivool en ijdel onderwerp. Vaarwel dus.






[1]  De antwoorden van Montaigne zijn ontleend aan de vertaling van de Essais door Hans van Pinxteren, in acht deeltjes, Athenaeum-Polak & Van Gennep, jaren negentig.
[2]  Hac meus ad metas sudet oportet equus. (Propertius)
[3]  Montaigne werd in het Latijn opgevoed. Dat sprak hij aanvankelijk ook beter dan Frans.
[4]  De Decamerone bevindt zich in mijn bibliotheek in de uitgave van Athenaeum-Polak & Van Gennep 2003, Gargantua en Pantagruel van Rabelais in een uitgave van Van Gennep 1999 en Janus Secundus De kussen en andere gedichten door J.P. Guépin, Bert Bakker 1991.
[5]  Een ridderroman.
[6]  De schrijver van het beroemde Orlando Furioso.
[7]  Van Ovidius: Metamorphosen &c(nog aanvullen)
[8]  Aristoteles was een empirisch denker. Hij formuleerde de organon, een methode om vat te krijgen op ideeën die aanvankelijk onsamenhangend lijken te zijn.
[9]  Quae quasi saxum Tantalo semper impendet. (Cicero)
[10]  Hier is een overeenkomst met Stendhal en Heine.
[11]  Het voorwoord van Montaigne’s Essais. Vertaling Hans van Pixteren. Het zou ook kunnen dienen -al is dat misschien te ijdel gedacht- als voorwoord van dit boekje, Een voetreis &.

zondag 11 oktober 2009

Berichten uit de verte (4)

DE MORAAL VERSLUIERT DE FEITEN
Boven het artikel Hoe duur is een Chinees van Margreet Fogteloo in De Groene van 9 oktober 2009 staat: De moraal versluiert de feiten. Fogteloo begint met vast te stellen dat het ‘de unanieme overtuiging was dat het rendement van bepaalde groepen niet kan en mag worden becijferd. Alle ophef ontneemt nu het zicht op de noodzaak van objectieve cijfers over het migratiebeleid’. Nu is het niet zo moeilijk om voorbeelden te geven van autoritaire regimes die er totaal geen moeite mee hadden om de wereld in cijfers te vangen en dat ook met ‘bepaalde groepen’ te doen. Het is ernstig en getuigt bij mevrouw Fogteloo op zijn minst van slordig denken om  zo unverfroren ‘objectieve cijfers’ en ‘economisch rendement’ heilig te verklaren als het gaat om bepaalde groepen in de samenleving, om mensen dus. Dat de effecten van beleid (bijvoorbeeld: hoe effectief zijn inburgeringscursussen) worden gemeten en gewogen is iets anders. Natuurlijk kan en moet dat. Maar goed, om in het geval waar men het economisch rendement belangrijker vindt wegen dan de moraal, niet aan te komen met voorbeelden uit de USSR of het Derde Rijk, vertel ik  het verhaal van de Ford Edsel.
Nadat Ford in de jaren vijftig enorme bedragen had geïnvesteerd in de ontwikkeling van een auto die het met de Cadillac van General Motors zou kunnen opnemen, bleek dat de benzinetank op een zodanig gevaarlijke plaats zat dat die bij een aanrijding gemakkelijk zou ontploffen. Robert McNamara, toen de baas van Ford, liet vervolgens berekenen wat duurder zou worden: de auto zodanig aanpassen dat de tank geen gevaar meer kon opleveren of, er van uit gaande dat een bepaald te berekenen aantal bij botsing de lucht in zou vliegen, vergoedingen uitkeren aan slachtoffers en nabestaanden. Op grond van 'objectieve cijfers' en het te verwachten economisch rendement werd voor het laatste gekozen. Later werd McNamara minister van defensie en voor de Vietnam oorlog ging hij uit van dezelfde principes.
Het Ford Edsel project werd een drama, ook financieel (het kostte Ford 250 miljoen dollar, nu zou dat tien maal  zoveel zijn) en hoe het met de oorlog in Vietnam afliep is ook bekend.
Gelukkig versluieren de feiten niet altijd de moraal.

donderdag 8 oktober 2009

Margaret Atwood ABOUT SOMETHING CALLED THE ARTS






Deze hartenkreet van Margaret Atwood komt bekend voor. Met dank aan Henk Guittart die het mij toestuurde.


From Thursday's Globe and Mail, September 28, 2008

What sort of country do we want to live in? What sort of country do we already live in? What do we like? Who are we?

At present, we are a very creative country. For decades, we've been punching above our weight on the world stage - in writing, in popular music and in many other fields. Canada was once a cultural void on the world map, now it's a farce. In addition, the arts are a large segment of our economy: The Conference Board estimates Canada's cultural sector generated $46-billion, or  3.8 per cent of Canada's GDP, in 2007. And, according to the Canada Council, in 2003-2004, the sector accounted for an ‘estimated 600,000 jobs (roughly the same as agriculture, forestry, fishing, mining, oil & gas and utilities combined)’.

But we've just been sent a signal by Prime Minister Stephen Harper that he gives not a toss for these facts. Tuesday, he told us that some group called ‘ordinary people’ didn't care about something called ‘the arts’. His idea of ‘the arts’ is a bunch of rich people gathering at galas whining about their grants. Well, I can count the number of moderately rich writers who live in Canada on the fingers of one hand:  I'm one of them, and I'm no Warren Buffett. I don't whine about my grants because I don't get any grants. I whine about other grants -grants for young people, that may help them to turn into me, and thus pay to the federal and provincial governments the kinds of taxes I pay, and cover off the salaries of such as Mr. Harper. In fact, less than 10 per cent of writers actually make a living by their writing, however modest that living may be. They have other jobs. But people write, and want to write, and pack into creative writing classes, because they love this activity -not because they think they'll be millionaires.

Every single one of those people is an ‘ordinary person’. Mr. Harper's idea of an ordinary person is that of an envious hater without a scrap of artistic talent or creativity or curiosity, and no appreciation for anything that's attractive or beautiful. My idea of an ordinary person is quite different. Human beings are creative by nature. For millenniums we have been putting our creativity into our cultures - cultures with unique languages, architecture, religious ceremonies, dances, music, furnishings, textiles, clothing and special cuisines. 
‘Ordinary people’ pack into the cheap seats at concerts and fill theatres where operas are brought to them live. The total attendance for ‘the arts’ in Canada in fact exceeds that for sports events. The arts’ are not a ‘niche interest’. They are part of being human.

Moreover, ‘ordinary people’ are participants. They form book clubs and join classes of all kinds      -painting, dancing, drawing, pottery, photography-  for the sheer joy of it. They sing in choirs, church and other, and play in marching bands. Kids start garage bands and make their own videos and web art, and put their music on the Net, and draw their own graphic novels. ‘Ordinary people’ have other outlets for their creativity, as well: Knitting and quilting have made comebacks; gardening is taken very seriously; the home woodworking shop is active. Add origami, costume design, egg decorating, flower arranging, and on and on... Canadians, it seems, like making things, and they like appreciating things that are made.

They show their appreciation by contributing. Canadians of all ages volunteer in vast numbers for local and city museums, for their art galleries and for countless cultural festivals -I think immediately of the Chinese New Year and the Caribana festival in Toronto, but there are so many others. Literary festivals have sprung up all over the country - volunteers set them up and provide the food, and ‘ordinary people’ will drag their lawn chairs into a field - as in Nova Scotia's Read by the Sea - in order to listen to writers both local and national read and discuss their work. Mr. Harper has signalled that as far as he is concerned, those millions of hours of volunteer activity are a waste of time. He holds them in contempt.

I suggest that considering the huge amount of energy we spend on creative activity, to be creative is ‘ordinary’. It is an age-long and normal human characteristic: All children are born creative. It's the lack of any appreciation of these activities that is not ordinary. Mr. Harper has demonstrated that he has no knowledge of, or respect for, the capacities and interests of ‘ordinary people’. He's the ‘niche interest’. Not us.

It's been suggested that Mr. Harper's disdain for the arts is not merely a result of ignorance or a tin ear - that it is ‘ideologically motivated’. Now, I wonder what could be meant by that? Mr. Harper has said quite rightly that people understand we ought to keep within a budget. But his own contribution to that budget has been to heave the Liberal-generated surplus overboard so we have nothing left for a rainy day, and now, in addition, he wants to jeopardize those 600,000 arts jobs and those billions of dollars they generate for Canadians. 
What's the idea here? That arts jobs should not exist because artists are naughty and might not vote for Mr. Harper? That Canadians ought not to make money from the wicked arts, but only from virtuous oil? That artists don't all live in one constituency, so who cares? Or is it that the majority of those arts jobs are located in Ontario and Quebec, and Mr. Harper is peeved at those provinces, and wants to increase his ongoing gutting of Ontario - $20-billion a year of Ontario taxpayers' money going out, a dribble grudgingly allowed back in - and spank Quebec for being so disobedient as not to appreciate his magnificence? He likes punishing, so maybe the arts-squashing is part of that: Whack the Heartland.

Or is it even worse? Every budding dictatorship begins by muzzling the artists, because they're a mouthy lot and they don't line up and salute very easily. Of course, you can always get some tame artists to design the uniforms and flags and the documentary about you, and so forth - the only kind of art you might need - but individual voices must be silenced, because there shall be only One Voice: Our Master's Voice. Maybe that's why Mr. Harper began by shutting down funding for our artists abroad. He didn't like the competition for media space.

The Conservative caucus has already learned that lesson. Rumour has it that Mr. Harper's idea of what sort of art you should hang on your wall was signalled by his removal of all pictures of previous Conservative prime ministers from their lobby room - including John A. 
and Dief the Chief - and their replacement by pictures of none other than Mr. Harper himself. History, it seems, is to begin with him. In communist countries, this used to be called the Cult of Personality.  Mr. Harper is a guy who - rumour has it, again - tried to disband the student union in high school and then tried the same thing in college. 
Destiny is calling him, the way it called Qin Shi Huang, the Chinese emperor who burnt all records of the rulers before himself. It's an impulse that's been repeated many times since, the list is very long. 
Tear it down and level it flat, is the common motto. Then build a big statue of yourself. Now that would be Art!

Adapted from the 2008 Hurtig Lecture, to be delivered in
Edmonton on October 1, 2008



woensdag 30 september 2009

Berichten uit de verte (3)

ROB WIJNBERG, NIETZSCHE & ROB RIEMEN: HET RESSENTIMENT REGEERT EN EEN GECORRUMPEERDE ELITE IS GEVAARLIJKER DAN DE POLITIEKE ISLAM
Rob Wijnberg schreef in De Groene van 25 september 2009 een artikel met de titel ‘Het ressentiment regeert’. Wijnberg beschrijft daarin hoe het komt dat tegenwoordig zoveel mensen moreel verontwaardigd zijn. De gewone man is de klos, zijn werk gaat naar een lagelonenland terwijl zijn baas miljoenen opstrijkt. ‘Wie de literatuur over de aard van morele verontwaardiging uitpluist, ontdekt dat deze emotie vaak, zo niet altijd, samengaat met afgunst. Een groot deel van het volk voelt die afgunst. Zij zijn de ‘verliezers’ van de globaliserende economie (…). Mensen die hun buren naar huizen aan de gracht zagen verhuizen, terwijl zij achterbleven met de nieuwe bewoners –laagopgeleide immigranten.
Mensen die hun belastinggeld naar omvallende banken zagen gaan, terwijl de verantwoordelijke managers werden beloond met een jaarsalaris waar zij slechts van kunnen dromen. Mensen die zich jarenlang gehoord noch vertegenwoordigd hebben gevoeld door bestuurders die deze ‘marktwerking’ als onvermijdelijk propageerden.’ Zeg maar, vrij naar Nietzsche, de ‘vermarkting aller waarden’. Vervolgens legt Wijnberg ons uit hoe Wilders deze emoties weet te manipuleren. En dan komt Wijnberg al snel bij Nietzsche waarvan hij schrijft: ‘Het lijkt erop dat Nietzsche de Nederlandse politiek anno 2009 had voorzien.’
Nietzsche heeft het over ressentiment, het complexe sociale proces waarmee het gewone volk zich uit wrok tegen de bestuurlijke elite keert. Hij noemt dat ‘de wraak der machtelozen’. De machtelozen creëren een denkbeeldige vijand. Op dat vijandbeeld projecteren zij hun eigen ondergeschikte positie en machteloosheid. Niet zijzelf, maar de vijand is de schuld van hun falen. Ook keren de machtelozen de waarden van hun onderdrukkers om: alles wat zwak is wordt tot deugd verheven en alles wat de machthebbers bestempelen als deugd wordt zwakte. Als voorbeeld daarvan is de reactie van Wilders op het Nieuwspoort-incident interessant. Niet de dronken Brinkman die een barman belaagde is de kwade pier, nee, het zijn ‘die verschrikkelijke journalisten’ die dat ‘hok’ bevolken.
Enfin. Wilders ontleent zijn strategie aan Nietzsche en doet dat bekwaam. Probleem is dat daartegen eigenlijk geen verweer bestaat, althans volgens Wijnberg. Je kunt, vindt hij, niet anders dan Wilders serieus nemen, want wie het ressentiment de mond wil snoeren, wakkert het juist aan. Wijnberg ziet over het hoofd dat Nietzsche ook anderen dan Wilders op een idee heeft gebracht. Hoewel Hitler niet erg veel ophad met Nietzsche (hij vond hem te soft) is het duidelijk dat de nationaal-socialistische beweging zich mede op zijn werk baseerde. En op dat van Fichte en Schopenhauer. Dietrich Eckart, Hitler’s mentor, beschermheer en vaderfiguur, duidde Fichte, Schopenhauer en Nietzsche aan als het filosofisch driemanschap van het nationaal-socialisme. Dat Wilders zijn strategie, retoriek en werkwijze baseert op dezelfde ideeën als de nationaal-socialisten wil nog niet zeggen dat Wilders Hitler is. Maar wel een fascist. En die moet je natuurlijk serieus nemen, zoals Wijnberg bepleit, maar met hem meewaaien en –wapperen zoals een deel van de politiek en de media en ook filosofen als Wijnberg doen, dat is de slechtst denkbare opstelling. Er is maar één denkbare houding: dat is om zijn abjecte ideeën te verwerpen en elke samenwerking met zijn beweging uit te sluiten.
Dan het interview dat Elsbeth Etty in Opinie & Debat van de NRC van 26 september 2009 met Rob Riemen had. ‘Zonder verbeelding, kennis, kunst en cultuur ben je machteloos en raak je overgeleverd aan allerlei charlatans’, zegt hij daarin. De geschiedenis heeft daar helaas vele voorbeelden van te zien gegeven. Riemen spreekt zonder omhaal van woorden over het ‘fascisme’ van Geert Wilders. Etty (oud-communiste) wil weten –want er zijn maar weinig mensen die dat hardop zeggen- waar hij dat op baseert. ‘Hij leidt geen democratische partij, maar een beweging zoals Mussolini en Hitler dat ook hebben gedaan. Ten tweede weet hij alles te herleiden tot één zondebok, de islam. En die zondebok moet ook het land uit, en Europa uit. Ook dat hebben we eerder meergemaakt. Hij doet een beroep op het Gesundes Volksempfinden. Dat berust op puur bedrog, want hij zal nooit iets kunnen oplossen. Ik begrijp niet waarom er met zoveel schroom wordt gesproken over het feit dat deze man een fascist is. In Amerika manifesteert het zich als anti-zwart en diepreligieus, in West-Europa als seculier en anti-islam, in Centraal-Europa als katholiek en anti-joods. Het is flauwekul dat je Wilders geen fascist zou mogen noemen zolang hij ons niet de schetsen toont van de concentratiekampen die hij voor moslims op het oog heeft. Mussolini heeft ook geen concentratiekampen gebouwd. De ideologie van Wilders, en daar gaat het om, is volstrekt anti-democratisch. Hij gelooft niet in democratie. Hij is de man van de pure anti-vrijheid.’
Riemen stelt vast dat Wilders totaal niet geïnteresseerd is in de humanistische Europese traditie. De PVV is de grootste anti-Europa beweging in Nederland. Natuurlijk, zegt Riemen, is de politieke islam een probleem. Alle fundamentalisme is een probleem. Hij noemt het fundamentalistische protestantisme in de VS, het postmodernisme van de culturele elite en het kapitalisme van de kredietcrisis. De politieke islam is niet ons –Nederland, Europa- grootste probleem. Dat is het wel in landen als Iran en Saoedi-Arabië. Ons grootste probleem is dat we al generaties lang niet meer weten wat het betekent om Europeaan te zijn. Riemen vindt de corrumpering van de elites een veel groter gevaar dan de politieke islam.
Onder gecorrumpeerde elites verstaat hij bijvoorbeeld hoogleraren die hun studenten niets meer leren als daarmee geen geld kan worden ‘binnengesleept’ of de media die alleen maar aan kijkcijfers of oplagen denken. Daarin schuilt het gevaar en het intellectuele verraad. ‘Onder het mom dat we democratisch zijn en dus tegen elites, tegen verheffing, cultuur, Bildung, hebben we burgers elk instrument uit handen geslagen om op hun eigen manier verantwoordelijkheid voor het leven te accepteren. (…) Als je niets gelezen hebt, nooit zelf hebt leren nadenken, wordt het heel erg moeilijk om je te verzetten tegen fascistische leugens en om geen compromissen te sluiten met de waarheid. Zo is er een situatie ontstaan waarvan figuren als Wilders om op politiek niveau misbruik maken om elementaire waarden die we aan Spinoza en John Stuart Mill te danken hebben de nek om te draaien. En dat is niet voor het eerst.’
Riemen vindt dat de intellectuele elite –weer- het voortouw moet nemen. Zij moeten de langetermijnvisie leveren. Intellectuelen zijn, omdat ze met distantie naar de wereld kijken, degenen die kritisch en zelfkritisch kunnen zijn. Politici kunnen dat niet. Die moeten compromissen sluiten en dingen voor elkaar krijgen. Maar is dat genoeg. Is de intellectuele elite wel in staat om Riemen’s ‘fascistisch gevaar’ te keren. Riemen: ‘Wij zijn te lang blijven geloven dat ons land zijn koers zou vinden door te vertrouwen op de financiële elite, de sportieve elite, de media elite en de politieke elite. Maar dat zijn toevallig de elites waar nauwelijks enig idee of gedachte achter zit. Het gaat die elites alleen maar om geld of om macht, niet om het vinden van antwoorden op de vraag wat een goede maatschappij is of de vraag die iedereen zich moet stellen: wat is een goed leven? Daar heb je ideeën, denkers en reflectie voor nodig, maar ook kunstenaars, omdat we niet zonder verbeelding kunnen.’
Mochten we dat niet kunnen of willen, dan gaan we barre tijden tegemoet. De culturele en de politieke elite moeten niet in de val trappen –zoals ondermeer Wijnberg doet- die door Wilders voor hen is opgezet. Zij moeten –opnieuw- het voortouw nemen. Om ideeën te genereren en om duidelijk positie te kiezen: tegen ondemocratische bewegingen als die van Wilders. Het is niet ondemocratisch om abjecte denkbeelden te bestrijden. Wie uitsluit, mag uitgesloten worden. Ook het CDA en de VVD zouden zich krachtig tegen samenwerking met de PVV moeten uitspreken.
Mochten zij dat niet kunnen of willen, dan is –om met Michaël Zeeman te spreken- binnenkort (ondermeer):
-de canon weg
-het museum leeg
-en de muziek verstomd.
En vallen we –zoals Goethe al wist- in verkeerde handen.



donderdag 24 september 2009

Een stuk uit het boekje dat ik aan het schrijven ben (2)



Dit is een stuk uit het derde deel -over boeken- van het boekje dat ik aan het schrijven ben.




Paris 1830 



De houtzagerij


LE ROUGE ET LE NOIR

Paris Verrières

Halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw vloog ik met mijn baas minister Elco Brinkman in een klein vliegtuigje van Rotterdam naar Parijs. Een reis die minder tijd in beslag nam dan de tocht per auto van het vliegveld Le Bourget naar het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille in het centrum van de stad. Omdat we niet meteen konden landen maakte het vliegtuigje een paar rondjes over de stad. De stad die ook uit de lucht niet met een andere verward kan worden: we zagen onder ons de Tour d’Eiffel, de Arc de Triomphe, het Place de la Concorde, het Louvre, het Panthéon, de Madeleine, de Sacré-Coeur, de boulevards. Al die plaatsen waardoor ook mensen die er nooit waren weten: dit is Parijs. Met uitzondering van het Louvre en het Panthéon bestonden die plaatsen niet in het Parijs van Stendhal. Het Parijs van Stendhal en het Parijs van 1830 toen Stendhal’s eerste grote roman, Le Rouge et le Noir, uitkwam, was een propvolle middeleeuwse nog ommuurde vieze, stinkende stad. De Champs-Elysées was een brede modderige weg die leidde van de bakstenen stompen van de onvoltooide Arc de Triomphe naar wat later het Place de la Concorde werd, maar toen één grote modderpoel was, doorsneden door stinkende sloten. Door het hart van de stad liep, net als nu, de Seine. Een bruin-troebele stroom waarin werkelijk alles werd geloosd wat de mensen maar kwijt wilden, een paradijs voor ratten en ander ongedierte. Met langs de ongelijke, ongeplaveide oevers duizenden bootjes, pieremachochels, drijvende badkuipen, bewoonde, begroeide, halfgezonken vlotten van armoede. De bruggen, half zoveel als nu, waren slordig bebouwd met winkels en huizen. Het Louvre was zoals in onze tijd, maar dan nog met het paleis les Tuileries, waar in 1830, voor de revolutie van dat jaar, de Bourbon-restauratie-koning Karel X resideerde. Van de Madeleine bestond alleen de fundering. Er omheen lege kavels waarmee heftig werd gespeculeerd –onder andere door Balzac!- omdat daar een treinstation zou komen. De Opéra was er nog niet en op de zuil van het Place Vendôme prijkte niet Napoleon maar een enorme Fleur de Lys, symbool voor de restauratie en de Bourbons. Maar weinig straten waren geplaveid en de meeste zonder trottoirs. Een zijstraat ingaan was gevaarlijk. Ze waren nauw, modderig en liepen vaak dood. Parijs was in 1830 een stad met meer dan 700.000 inwoners, samengeperst binnen de muren: middeleeuws, overbevolkt, smerig. Stendhal die Milaan kende als een ruime, schone stad, hekelde de zwarte modder van Parijs en het gebrek aan bomen. En wanneer Chopin en de dichter Alfred de Vigny, Berlioz gingen opzoeken die op Montmartre woonde, dan was dat een uitje naar ‘buiten’, naar de ‘campagne’.

De echte campagne lag verder van Parijs. En echt ver van Parijs lag Verrières, het stadje in de Franche-Comté waar Stendhal’s roman Het rood en het zwart begint:

‘Verrières kan worden beschouwd als een van de mooiste stadjes in de Franche-Comté. De witte huizen met puntdaken van rode pannen liggen tegen de helling van een heuvel waarop het dichte loof van forse kastanjes zelfs de geringste oneffenheid markeert. Een paar honderd voet beneden de vervallen vestingmuren, die eertijds door de Spanjaarden zijn gebouwd, stroomt de Doubs.
Aan de noordzijde wordt Verrières beschut door een hoge berg, een uitloper van de Jura. De brokkelige toppen van de Verra worden al met de eerste oktoberkou met sneeuw overdekt. Langs de berg stroomt een beek omlaag, doorsnijdt Verrières en brengt, alvorens uit te monden in de Doubs, een groot aantal houtzagen in beweging; deze heel eenvoudige industrie verschaft een zekere welstand aan de meeste inwoners, die veeleer boeren dan stadslui zijn. Toch is dit stadje niet door de houtzagen rijk geworden: de fabriek voor gedrukte stoffen, het zogeheten ‘Mulhousense linnen’, heeft gezorgd voor de algemene voorspoed waardoor, sedert de val van Napoleon, de gevels van bijna alle huizen in Verrières gerestaureerd konden worden.
Men is het stadje nog niet binnen, of men wordt overweldigd door het oorverdovende lawaai van een vervaarlijk ogende machine. Twintig zware hamers, die neervallen met het gedaver dat het plaveisel er van trilt, komen omhoog in een rad dat wordt aangedreven door het water van de bergstroom. Elke hamer produceert dagelijks ettelijke duizenden spijkers. Leuke, frisse meisjes leggen de stukjes ijzer klaar, die onder de geweldige hamerslagen veranderen in spijkers. Dit kennelijk zo ruwe werk brengt de reiziger die voor het eerst in de bergen komt die Frankrijk scheiden van Zwitserland, in grote verbazing. Als hij bij zijn aankomst in Verrières vraagt van wie die mooie spijkerfabriek is, die de voorbijgangers in de hoofdstraat verdooft, antwoordt men men slepend accent: ‘O! Die is van mijnheer de burgemeester.[1]’’

Mijnheer de Rênal

Die burgemeester heette mijnheer de Rênal. Mijnheer de Rênal was een grote man met drukke manieren en een gewichtig voorkomen. Zijn haar begon te grijzen en hij ging in het grijs gekleed. Hij droeg verschillende ridderorden , had een hoog voorhoofd, een haviksneus en een regelmatig gezicht. Op het eerste gezicht een charmante man. Maar op het tweede gezicht, laat Stendhal ons weten, ‘wordt de reiziger uit Parijs getroffen door een air van zelfgenoegzaamheid en gezapigheid, dat gepaard gaat met iets bekrompens en gebrek aan fantasie. En het dringt tot hem door dat het talent van deze man beperkt blijft tot het zich prompt laten uitbetalen van dat wat hèm toekomt, en tot het zo traag mogelijk betalen als hij zelf iets schuldig is’.
Rijk geworden door zijn kennis van de ijzerhandel, schaamde het heer de Rênal sinds hij burgemeester was geworden zich ervoor industrieel te zijn. Hij liet zich er op voorstaan te stammen uit een oud Spaans geslacht wat ten tijde van de restauratie veel interessanter was dan het zijn van fabriekseigenaar. Hoe dan ook, zijn met spijkers verworven rijkdom stelde hem in staat zijn vermeende deftigheid ook materieel vorm te geven en wel door het bouwen van een groot huis omringd door fraaie, ommuurde tuinen. Om ruimte te krijgen voor zijn steeds uitdijende tuinen was het op zeker moment gewenst om een houtzagerij –die  van de oude Sorel- te laten verhuizen. Daartoe moest eerst de gemeenschappelijke beek verlegd opdat de houtzagerij op de nieuwe locatie over waterkracht kon beschikken. De oude Sorel ruilde zijn oorspronkelijke plek, die één morgen (een kleine hectare) groot was, met mijnheer de Rênal voor vier morgen land en wist uit de obsessie van zijn buurman ook nog eens zesduizend frank te slaan.

Mijnheer Valenod

Mijnheer de Rênal had een concurrent. Dat was mijnheer Valenod. Mijnheer Valenod was een grote, forsgebouwde jongeman met blozend gelaat en dikke zwarte bakkebaarden. Hij behoorde –zo meldt Stendhal ons- tot dat grove, brutale en lawaaierig slag mannen dat toen in de provincie voor knap doorging. Ook mijnheer Valenod was rijk en er als beheerder van het armenhuis niet armer op geworden. Mijnheer Valenod had onlangs, tot ongenoegen van mijnheer de Rênal, voor zijn koets twee prachtige, dure Normandische paarden aangeschaft. ‘Maar’, had mijnheer de Rênal tegen zijn vrouw gezegd ‘een gouverneur voor zijn kinderen heeft hij niet!’ Hij had namelijk in zijn hoofd gezet dat het voor het ophouden van zijn stand gewenst zou zijn een gouverneur voor zijn drie zonen te hebben. Hij besprak dat met zijn jonge, knappe vrouw, die volgens Stendhal haar bedenkingen had maar die niet uitsprak. Mijnheer de Rênal wist ook al iemand. Namelijk de jongste zoon van de oude Sorel. Van de pastoor had hij gehoord dat die al drie jaar theologie studeerde en zelfs overwoog naar het seminarie te gaan. Maar wat de doorslag gaf was dat de jonge Sorel voortreffelijk Latijn sprak en sterker nog, de Bijbel in het Latijn uit zijn hoofd kende! Zo iemand was niet snel te vinden en voordat mijnheer Valenod op hetzelfde idee zou kunnen komen moest er gehandeld worden. Er zou natuurlijk wel voor moeten worden gewaakt dat de gouverneur iemand zou zijn met jakobijnse of liberale ideeën.
Maar, bedacht mijnheer de Rênal zich, een jongeman die de Bijbel in het latijn uit zijn hoofd kent kan onmogelijk een jakobijn of een liberaal zijn, die is latinist en als zodanig dus geen gevaar maar een aanwinst.

De jonge Sorel

Mijnheer de Rênal zijn besluit stond vast. Hij zou de jonge Sorel een jaarloon bieden van 300 frank, kost en inwoning en kleding. Aldus besloten begaf hij zich naar de houtzagerij van de oude Sorel. Daar speelden zich opnieuw voor de burgemeester pijnlijke onderhandelingen met de oude Sorel af terwijl de jonge Sorel in de houtzagerij zes voet hoog, schrijlings op een hanenbalk zat lezen.
Nadat mijnheer de Rênal en de oude Sorel het in principe eens waren geworden over het gouverneursschap van de jonge Sorel heropende de oude Sorel de dag daarop de onderhandelingen om de burgemeester tot nog aanzienlijker concessies te bewegen. En, tot chagrijn van mijnheer de Rênal, met succes. Met de daaropvolgende intrede van de jonge Julien Sorel in het huis van de familie de Rênal begint het verhaal van Het rood en het zwart dan echt.

Waar  Het rood en het zwart over gaat

Het verhaal. Nadat Julien Sorel zijn intrek in het huis van de Rênal’s heeft genomen, krijgt hij al snel een verhouding met de vrouw des huizes. Maar, om als intelligente en ambitieus jongmens verder in het leven te komen bood een loopbaan in de kerk, eigenlijk als enige, perspectief. Op zekere dag vertrekt  Julien dan ook  naar een seminarie. Daar valt hij direct op door zijn scherpzinnigheid, intelligentie en eigenzinnigheid. Dat leidt ertoe dat de markies de La Mole, de rijkste grootgrondbezitter van de Franche-Comté en pair van Frankrijk (erfelijk senator), hem aantrekt als secretaris waardoor Julien in Parijs terecht komt. Daar wordt hij verliefd op de dochter van de markies, Mathilde, met wie hij een verhouding begint. Mathilde wordt zwanger, mevrouw de Rênal schrijft een brief waarin zij Julien beticht van hebzucht, hypocratie en het ontbreken van enig godsdienstig beginsel. Dat wordt een heel gedoe. Julien vlucht en pleegt vervolgens een aanslag (twee pistoolschoten) op mevrouw de Rênal die het overleeft. Julien wordt gevangen genomen en veroordeeld tot de guillotine. In de gevangenis komt hij tot inkeer en verzoent hij zich met mevrouw de Rênal. Hoewel zijn minnaressen willen dat hij in hoger beroep gaat tegen zijn vonnis, weigert hij dat. En sterft onder de hakbijl van de guillotine.
Stendhal ontleende dit verhaal aan een krantenbericht. Maar het verhaal als zodanig is van ondergeschikt belang. Het dient Stendhal als kapstok om te schrijven over liefde, verliefdheid, machtstructuren, de psychologie van de personages en de maatschappelijke realiteit van de restauratieperiode.
Idealen en hypocrisie. Ten tijde van de restauratie probeerden de door de revolutie verdreven aristocratie en geestelijkheid krampachtig hun oude posities weer in te nemen en hun verloren bezittingen weer te heroveren. Koste wat kost. Het boek wemelt dan ook van de ordinaire baantjesjagers en nietsontziende machtzoekers. Rond 1830 was de restauratie –de reactie op de revolutionaire en Napoleontische tijd- op zijn hoogtepunt. Er waren twee partijen in het land: die van de reactionaire ultra-royalisten die de autoritaire van de werkelijke wereld vervreemde koning Karel X steunde en die van de liberalen. De laatste partij werd door de ultra-royalisten uitgemaakt voor jakobijnen en voor wat overigens maar verdacht was. Mijnheer de Rênal is duidelijk van de partij van de ultra-royalisten.
Julien Sorel is intelligent en ambitieus. En vol van hooggestemde idealen en gevoelens komt hij in verzet tegen de maatschappelijke wantoestanden van zijn tijd. In die zin heeft hij alle eigenschappen van de romantische held. Maar als het hem beter uitkomt, zet hij zijn idealen overboord en wordt hij vooral gedreven door zijn heftige wil om carrière te maken in een voor hem eigenlijk uitzichtloze klassenmaatschappij. Julien is idealist, realist en opportunist in één persoon. Hij wordt door Stendhal voortdurend ontmaskerd. Vooral de botsing tussen Julien’s romantische gevoelens en zijn realisme leidt regelmatig tot groteske toestanden.
Maar, aan het eind van het boek, groeit Julien desondanks en tenslotte boven zichzelf uit. In de gevangenis ontstijgt hij aan zijn ambities en neemt hij niet alleen stelling tegen de hypocrisie van zijn tijd, maar ook tegen die van hemzelf.

Stendhal

Stendhal is een meesterlijke psycholoog. Hij legt niet alleen het mechaniek van zijn tijd, de maatschappelijk omstandigheden tijdens de restauratie, bloot maar ook dat van zijn hoofdpersonen. In tegenstelling tot de schrijvers van zijn tijd besteedt hij weinig ruimte aan eindeloze beschrijvingen van eeuwig zingende bossen en andere romantische zaken. Zijn taal is heel direct en precies. Hij heeft een afgrijzen van gekunsteldheid. Je schrijft zo helder en eenvoudig mogelijk. Eigenlijk moet je zo schrijven als je praat. Hij is  een realist in een romantische periode. Voor zijn tijd dan ook te modern. Pas aan het einde van de 19e eeuw, toen hij inmiddels ruimschoots dood was, werd zijn genie herkend. En dat is niet meer overgegaan. Stendhal is ook nu nog een moderne schrijver, qua inhoud en vorm. Mij is hij door het lezen van Het rood en het zwart, De Chartreuse van Parma, Over de liefde, Lucien Leuwen, Egotistische Herinneringen, Het leven van Henri Brûlard, Drie literaire kronieken, Armance,  De Abdis van Castro en zijn Brieven erg dierbaar geworden[2]. Een intelligente, menselijke, aardige man. Een vriend. Ik praat graag met hem.


Brief aan Alberthe de Rubempré[3]

Brief van Stendhal, Korfu 19 februari 1831
(in werkelijkheid in Triëst geschreven)
(…) Drie dagen geleden kreeg ik een brief als die van U, maar dan nog erger, want aangezien Julien Sorel een schoft is, en het boek een portret van mijzelf zou zijn, maakt iedereen ruzie met mij. In de tijd van de keizer zou Julien een heel fatsoenlijk man geweest zijn; ik ben van de tijd van de keizer; dus… Maar wat doet het ertoe? Als ik een mooie blonde jongen was met het melancholieke uiterlijk dat verwachtingen schept voor modieuze genoegens, dan zou mijn andere vriendin mij niet zo schofterig vinden.
Wij zijn hier met ons twintigen. De consul van Frankrijk is de tweede of de eerste bij de plechtigheden. Een plechtigheid betekent alles voor deze volkeren, omdat een vrouw niet leuk gevonden wordt tenzij ze bij elk bal een nieuwe jurk draagt. Maar vijf à zes consuls hebben een kruis; mijn voorganger en diens voorganger hadden er een; daarom vraag ik erom. Ik verdien het ook vanwege Moskou, Berlijn, Wenen. De keizer zou het daarvoor niet gegeven hebben; maar alle nietsnutten die er na hem (zijn keizerschap) een gekregen hebben, hebben Moskou niet gezien. Zonder jalousie zal ik U vertellen dat ik tijdens de terugtocht uit Moskou, in Bobr was het geloof ik, Daru mij bedankt heeft uit naam van de keizer; Pastoret was erbij en ook Labiche, die nu divisieleider is bij Montalivet. Dat is een fatsoenlijk man en hij zal het beamen, als hij het zich nog herinnert. Want toen was iedereen volkomen afgedraaid en dacht heel openlijk alleen aan zichzelf. Dat zijn, dierbare vriendin, mijn gedachten over het kruis van verdienste, en binnen twee jaar heb ik het ook, als het niet wordt afgeschaft door de minister van Binnenlandse Zaken, die niet dom is.

  

Stendhal met (wat voor?) kruis


Als Uw ijdelheid door de mijne gekwetst is, zal ik dat toekomstige kruis van verdienste in Frankrijk niet dragen.
Wanneer een schrijver een wilskrachtig karakter neerzet dat bijgevolg ook een beetje schelmachtig is, neemt de naijver haar toevlucht tot de gedachte: de schrijver heeft zichzelf uitgebeeld. Wat voor antwoord zou U daarop verwachten?
Een mens ziet zichzelf van binnen (zoals je het Géorama in de rue de la Paix ziet) en niet van buiten.
Het plezier van het ogenblik overwint al het andere bij mij. Als ik Julien was, zou ik vier keer in de maand een bezoek aan de Globe hebben gebracht, of ik zou, met gevolg, naar Pastoret gegaan zijn. Geef daar eens antwoord op, afgunstige vrouw! Ik ben niet één enkele keer naar het Luxembourg gegaan toen Pastoret sr. kanselier was. Welnu, Dacier van de bibliotheek[4] heeft mij duidelijk te verstaan gegeven dat hij zich volkomen zou laten leiden door Pastoret.
Julien zou daar overal zijn voordeel mee hebben gedaan. En nog meer met de salon van mevrouw Aubernon en met de vriendschap van Béranger.[5] (…) U gelooft dat ik meen dat Le Rouge een succes is, en U wilt mij straffen, maar in de kracht van de bestraffing zie ik het grootse idee dat u van het succes hebt.
Kijk naar onze schilders, Gérard, Gros, ze worden geroemd. Twintig jaar na hun dood worden zij al niet meer de gelijken geacht van Bonifazio, van Palma Vecchio, van Maratte, van Pordenone et cetera, van derderangs schilders van het gelukkige Italië. Dit zeg ik om U wat te kalmeren en tezelfdertijd is het absoluut wáár. Ik neem aan –maar dat weet ik niet omdat ik geen enkele krant lees, behalve de Quotidienne en de Gazette- ik neem aan dat Le Rouge succes heeft; over twintig jaar zullen de boekhandelaren en het publiek het niet hoger waarderen dan la Religieuse portugaise, Jacques le fataliste, Marianne[6], et cetera, et cetera.
Als U nog verontwaardigd bent, gelooft U dat ik lieg. Hoe wilt U dan, verdraaid, dat ik bewijs dat ik niet lieg? –Tot nu toe hebben mij al drie vrouwen de meest verschrikkelijke dingen geschreven naar aanleiding van Julien, vrouwen van wie er één een tedere vriendschap voor mij voelt. Geloof dus niet dat ik zo trots ben op het succes. Vervolgens mag U denken dat ik het kruis van verdienste wil hebben; maar als U, in plaats daarvan, mij zou willen overplaatsen naar Napels of Genua, zou ik nog veel gelukkiger zijn. Als U mij nog blijer wil maken, zorg er dan voor dat een redelijke staat als New York de geest en het klimaat van Italië krijgt, zijn kunst, zijn ruïnes, en stuur mij dáár dan heen en beschouw mij als een kwast als ik U dan nog ooit om het kruis van verdienste vraag.
U weet dat ik ben aangesteld in Civita-Vecchia; maar hoe moet ik daar komen? De opstandelingen hebben de wegen naar Perugia en Spoleto afgesneden. Behalve de legers van beide partijen[7] zijn er troepjes struikrovers die op het platteland huishouden. Ik ga waarschijnlijk via Genua om mij daar in te schepen naar Rome. Maar de duivel met al die opstandelingen! –Vergeet Uw woede; over een half jaar zal niemand meer over Le Rouge spreken, en ik zal U een bekentenis doen: ik ben helemaal nooit naar Rusland gegaan; dat was mijn broer Henri-Marc, wiens papieren ik heb, hetgeen mogelijk was omdat ik Henri-Marie heet: dezelfde initialen.
Duizend lieve groeten aan Delacroix, Schnetz, Frédéric. Vraag aan Schnetz of hij mij zegt waar zijn appartement in Rome is. U hebt gelijk; Besançon zou Apolinaire[8]over kunnen halen zich voor mij in te zetten. Brieven doen geen goed bij Apolinaire.

Uw Marie-Henri Beyle


[1] Het begin van Stendhal’s Het rood en het zwart. Uitgeverij L.J. Veen, 1993. Vertaling Hans van Pinxteren
[2] Voor wie over Stendhal wil lezen is Stendhal uit de serie Modern Critical Views onder redactie van Harold Bloom, uitgeverij Chelsea House, 1989, aan te raden. Met stukken van o.a. Simone de Beauvoir, Georg Lukács en Paul Valéry.
[3]  Een nicht van Delacroix en kortstondig minnares van Stendhal, ook wel madame Azur. Deze brief is ontleend aan Stendhal Brieven, AP privé domein 1981, in vertaling van Joyce & Co. Hier en daar heb ik de enigszins slordige (!?) vertaling wat aangepast. Overigens schreef Stendhal zelf ook slordig.
[4]  Die Stendhal afwees voor een baan.
[5]  Béranger was een beroemde zanger en mevrouw Aubernon de vrouw van een pair de France, een adellijke dame met een salon dus.
[6]  Respectievelijk een anonieme fake-vertaling uit 1669 van liefdesbrieven van een non, roman van Diderot uiy 1796 en een romance van Marivaux uit 1741.
[7]  Italiaanse revolutionairen en Oostenrijkse troepen. De revolutionairen –die voor de eenheid van Italië streden- hoopten aanvankelijk op Franse steun, die er niet kwam.
[8]  Apolinaire graaf d’Argout, politicus en bekende van Stendhal. Stendhal verwachtte veel van hem als het ging om de verbetering van zijn positie.