vrijdag 4 september 2009

Over artikelen in NRC/CS van 22 augustus 2009, uit een recente brief

Ian Buruma had ik gelezen. Die laat je niet ongelezen. Het stuk over Zizek sloeg ik over. Waarschijnlijk vanwege de titel. Maar inmiddels heb ik dat ook gelezen. Om met Zizek te beginnen: het is moeilijk vast te stellen wie een groter warhoofd is, Zizek of Van den Boogaard. In elk geval is de laatstgenoemde kennelijk totaal in de ban van onze Sloveense –ja, wat eigenlijk-. ‘Zizek lezen is een, in intellectueel opzicht althans, lustvolle aangelegenheid –die manische nieuwsgierigheid, die onwil van hem zich voor het gat van de vanzelfsprekendheid te laten vangen, waar het ook om gaat- cultuur, politiek, de menselijke psyche.’ Lustvol... Bah! Maar goed. We moeten van Zizek, als ik het goed heb begrepen, weer een ideaal hebben en ook nastreven. Het ideaal van gelijkheid &c desnoods met geweld. Want de (groot)kapitalisten leiden ons om de tuin met hun filantropie en dialoog. Ze proberen het objectief gewelddadige karakter van hun positie aan het oog te onttrekken. (Heette dat vroeger niet repressieve tolerantie?) Radicale veranderingen zijn nodig! Leve het communistische idee. Zijn analyse deugt wel, maar de oplossingen niet. Helaas hebben radicale omwentelingen tenslotte steeds geleid tot repressieve regimes. Goethe wist het al: uiteindelijk valt de massa –helaas- in verkeerde handen. En toen hadden we Stalin, Hitler en Mao nog niet gehad. Het is ook merkwaardig te lezen dat Zizek van mening is dat op dit moment ‘de verdrukte massa’s’ in Iran in beweging zijn gekomen. Ik ben bang voor hem dat de verdrukte massa’s in Iran toch vooral achter Ahmedjinedad aanlopen. En de Talibaan zijn natuurlijk ook een lichtend voorbeeld: tenslotte verjoegen zij de grootgrondbezitters! Deze meneer Zizek is zo’n warhoofd dat mij het gevaar dat dankzij hem de revolutie zal uitbreken nogal gering lijkt. En Raymond van den Boogaard moet eens bij zichzelf te rade gaan over wat nu intellectuele uitdagingen zijn.
Dan het stuk van Buruma. Kraakhelder geschreven en hoewel op zich geen nieuws is het heel goed dat iemand van zijn kaliber zo’n stuk in de NRC schrijft. Dat is te lang niet gebeurd. Van een vriend die echt veel af weet van de moslimwereld en die veel mensen met een dergelijke achtergrond kent, intellectuelen, gestudeerde mensen, hoorde ik dat er inderdaad onder hen zijn die hier weg gaan. Ik vind dat alle politieke partijen duidelijk moeten maken dat zijn niet met Wilders willen samenwerken. Vanwege zijn aperte ideeën. Dat een cordon sanitaire ondemocratisch zou zijn is totale onzin. Niemand kan toch de VVD en de SP, om maar iets te noemen, verplichten tot samenwerking. Het CDA en de VVD hebben de PVV nog steeds niet uitgesloten. Dat moeten ze zo spoedig mogelijk doen. Op grond van democratische overwegingen. Buruma omzeilt verstandig in zijn artikel de nazi’s te noemen, al is het duidelijk wat hij bedoelt, maar ik mag de PVV een neo-nazi partij noemen en daar werk je niet mee samen. En wie niet overtuigd is, moet zich maar verdiepen in de geschiedenis van Duitsland, eind jaren twintig, begin dertig.

Over populisme (oud)



Nieuwjaarsbijeenkomst ICN, Mondriaan Stichting en Stedelijk Museum, 6 januari 2003
Dames en heren,
Hartelijk welkom hier in het Stedelijk ter gelegenheid van de gezamenlijke nieuwjaarsbijeenkomst van ICN, Mondriaan Stichting en Stedelijk Museum.
Elk jaar wordt er door de directie van een van de gastinstellingen een kort exposé gehouden. Dit jaar –geheel toevallig- is de beurt aan het Stedelijk.
Wellicht dat sommigen van U verwachten dat ik dit podium zal gebruiken om de afgelopen maanden en weken wat meer en détail met U door te nemen. Dat gebeurt misschien ooit, maar niet nu en niet hier.
Het Stedelijk Museum is er nu vooral bij gebaat dat de beoogde commissie van wijzen, voorzien van een ruim mandaat, zo spoedig mogelijk met het opnieuw definiëren van de toekomst van het museum aan het werk kan. En hetzelfde geldt voor een zo spoedig mogelijk te benoemen bestuurscommissie die voor de komende tijd de bestuurlijke continuïteit moet waarborgen.
Het gaat in mijn bijdrage dus niet over het Stedelijk in het bijzonder. Maar aan wat ik in algemene zin betoog, is ook het Stedelijk niet ontkomen.
Dames en heren,
De laatste tijd zijn wij overstelpt met evaluatieve beschouwingen over de tijdgeest en in het bijzonder die van het afgelopen jaar. Een tijdgeest die ook cultuuropvattingen heeft geproduceerd. Cultuuropvattingen waarmee wij allemaal, letterlijk linksom of rechtsom, mee te maken hebben.
Onder anderen, schreven Bas Heijne, Michaël Zeeman en Rick van der Ploeg daarover.
Niets komt zomaar uit de lucht vallen en dat geldt dus ook voor de door de huidige tijdgeest gebaarde cultuuropvattingen.
In een artikel, eind november in de Volkskrant, meent de vorige staatssecretaris voor Cultuur, Rick van der Ploeg, dat het ‘zeer goed mogelijk is dat de smaakkeurmeesters en de culturele sector het onheil van het populisme voor een deel over zichzelf hebben afgeroepen’.
Daar wil ik het vanmiddag kort over hebben.
In hoeverre is het onheil van het populisme eigen schuld van de kunstwereld en in hoeverre komt dat voor rekening van Van der Ploeg en zijn navolgers, de mensen van de populistische leefbare partijen die, zeg maar, Rick’s gedachtegoed hebben geannexeerd.
De vorige staatssecretaris sprak over kunst in sociologische en economische termen.
Kunst als zuiver sociaal verschijnsel en het kunstwerk louter als product van kunstbeleving.
Als uitgangspunt gold daarbij dat de samenleving veranderde en daarmee ook de kunst.
Met dat uitgangspunt is niets mis. Uiteraard dienen kunstbedrijven en culturele instellingen zich rekenschap te geven van ontwikkelingen in de kunst, de maatschappij en de veranderende relatie daartussen en van invloeden die uitgaan van bijvoorbeeld de welvaart of de technologie. Maar de raison d’être van kunst ligt niet in haar sociologische of economische betekenis.
Van der Ploeg wilde ook een nieuwe groep laten meespreken: jongeren, mensen met andere culturele achtergronden.
Op zich ook geen slecht idee. Maar: waarover meespreken. Over kunst? Of eigenlijk over sociale structuren en macht.
Nieuwe mensen laten meespreken, laten nadenken, bijvoorbeeld over de rol en betekenis van elites, prima.
Ramsey Nasr heeft daar behartigenswaardig over geschreven: ‘In de huidige cultuur, waarin een meritocratie (een prestatiemaatschappij) heeft bewerkstelligd dat iedereen met een boerenverstand zich kan opwerken tot de financiële bovenlaag, ongeacht afkomst of opleiding, moet men een andere definitie van elite formuleren.
De culturele elite bestaat niet meer uit blanke rijkeluiszoontjes die rechten studeren, teneinde te worden wat hun vader was. De nieuwe elite is een elite van de geest, een elite waartoe allochtonen en ex-asielzoekers gerekend moeten worden.’
Van der Ploeg heeft geen andere definitie van elite geformuleerd. Het leek er vooral op dat hij werd gedreven door wantrouwigheid jegens de bestaande culturele elite. Wantrouwigheid ook jegens kunstenaars, die immers steeds maximale vrijheid opeisen om hun werk te kunnen doen, en wantrouwigheid jegens de ‘kunstelite’, door Van der Ploeg ook aangeduid als snobs die de kunst gebruiken om zichzelf van het gewone volk af te schermen. Kunst is, zo leek de redenering, van iedereen, iedereen kan het en iedereen kan het zeker beoordelen. Kunst dus als sociaal verschijnsel en het kunstwerk louter als product van kunstbeleving.
De opvattingen van de Amsterdamse wethouder van cultuur (Hannah Belliot) passen in dit beeld. Zij is van mening dat een museum voor moderne kunst ‘een plaats moet zijn waar mensen op zondagmiddag moeten kunnen socializen’. Ik neem aan temidden van het werk van Herman Brood.
Ik begon met Van der Ploeg te citeren waar deze zei dat ‘de culturele sector het onheil van het populisme voor een deel over zichzelf heeft afgeroepen’.
Hoe reageerde de kunstwereld en in het bijzonder de ‘kunstelite’ op Van der Ploeg als staatssecretaris?
Volgens de hooggeleerde Beunders als volgt:
‘De elite trekt zich schamperend en tierend terug in de steeds kleiner wordende enclave van morele en culturele superioriteit. Hiermee wordt het vermoeden bewezen: dat de revolutionairen van ’68 ‘het volk’ nooit vergeven hebben dat het toen niet naar hen luisterde.’
Afgezien van de curieuze bewijsvoering, is wat Beunders verwoordt wat veel mensen ervaren.
Degenen die zich aangesproken voelden, reageerden vooral op het in hen uitgesproken wantrouwen. Dat is op zich wel begrijpelijk –ik ben inmiddels ervaringsdeskundige- maar het is verstandiger om het inhoudelijk te benaderen en van inhoudelijk commentaar te voorzien.
Het is van groot belang dat kunstenaars weer het voortouw nemen. Dat zij aantonen dat kunst weliswaar een sterk sociale en socialiserende functie heeft en ook een economisch belang vertegenwoordigt, maar dat, door kunst te zien als een zuiver sociologisch en economisch verschijnsel, het paard achter de wagen wordt gespannen.
‘ … het paard hoort voorop te gaan, als het sterk genoeg is volgt de wagen vanzelf’, schrijft Cornel Bierens.
Dames en heren,
Wat wij niet moeten doen is de invloed van de door de tijdgeest gebaarde populistische cultuuropvattingen onderschatten.
Wat wij wel moeten doen is conform Bierens’ aanbeveling het paard weer voor de wagen spannen.
Mochten wij dat niet kunnen of willen, dan is –om met Michaël Zeeman te spreken- binnenkort:
-de canon weg
-het museum leeg
-en de muziek verstomd

5 januari 2003 / Stevijn van Heusden

Artikel onder de kop 'Laat kunst beoordelen door enkele personen', Volkskrant 3 september 2009


GEHRELS TOONT MEER MOED DAN KAMERLEDEN CULTUUR
Het Paradiso Debat over kunst en cultuur ging afgelopen zondag over de verhouding politiek en kunst en cultuur. Aanleiding waren (in elk geval ook) de plannen van Carolien Gehrels, wethouder cultuur van Amsterdam. Die bepleit nauwe betrokkenheid van de politiek bij het kunst- en cultuurbeleid en wil tegelijkertijd de adviesstructuur veranderen. Wat het laatste betreft wil zij ‘kunstschouwen’ instellen, een soort intendanten. Enige verwarring is er als het gaat om de relatie kunstschouwen en de politiek, in het bijzonder eventuele politieke opdrachten aan hen. Het werd dan ook een levendig debat, bekwaam ingeleid door George Lawson, Carolien Gehrels en Els Swaab. En uitmuntend geleid door Lennart Booij.
Met vijf kamerleden die het discussiepanel vormden en een betrokken zaal.
De volgende zaken vielen mij in het bijzonder op:
1 Kamerleden cultuur verschuilen zich achter nieuwe cultuurbeleidsystematiek
De trend van de laatste jaren is dat de politiek afstand neemt van kunst en cultuur. De nieuwe structuur voor het kunst- en cultuurbeleid is daar een voorbeeld van. Net als op andere gebieden, zoals b.v. die van de nutsvoorzieningen, worden verantwoordelijkheden gedelegeerd of zelfs ‘vermarkt’. De Europese en ook de Nederlandse traditie is dat cultuur en kunst essentiële aspecten van de samenleving zijn en dat de overheid daar een verantwoordelijkheid voor heeft. In de zin van dat de overheid kunst en cultuur faciliteert. Politieke betrokkenheid bij het culturele leven in al zijn aspecten –amateurkunst, professionele productie, educatie en deelname- is noodzakelijk. De nieuwe structuur voor het kunst- en cultuurbeleid schept juist afstand. Als belangrijke reden daarvoor wordt de lobbydruk genoemd. Verder werd een groter onderscheid tussen kleine en grote kunstbedrijven bepleit: de Nederlandse Opera hoeft toch niet elk jaar zijn bestaansrecht te bewijzen. De lobbydruk was niet het voornaamste probleem, het voornaamste probleem was en is dat de kamerleden niet durfden en durven te kiezen. En wat de verschillende behandeling van grote en kleine kunstbedrijven betreft: dat is geen inhoudelijk onderscheidingscriterium. Het moet gaan over het culturele belang van iets, of het nu groot of klein is. Het in de inhoudelijke beoordeling uit elkaar trekken van b.v. de reguliere orkesten en de ensembles oude en nieuwe muziek, is de klok vijfentwintig jaar terug draaien. Met het creëren van grotere fondsen wordt de sector ook aanzienlijk kwetsbaarder. De kamerleden gaan er niet meer over, maar behouden (uiteraard) wel het budgetrecht. Wanneer er gekort moet worden kan dat bij de fondsen zonder dat de politiek daarmee een individueel belang treft.
Kortom; de politiek op afstand, moeilijke keuzes uit de weg gaan, gemakkelijker bezuinigen (iets wat de komende jaren actueel wordt).
2 Carolien Gehrels steekt daarentegen haar nek uit
Mevrouw Gehrels levert een belangrijke bijdrage aan het denken –en straks waarschijnlijk ook het handelen- waar het gaat over de betrokkenheid van de politiek bij kunst en cultuur. Daarbij is een belangrijk aspect het inhoudelijk oordeel over kunst en wie daartoe het meest geschikt zijn. Dat de grootte van beoordelingscommissies omgekeerd evenredig is aan de kwaliteit van hun uitspraken, is op zich geen nieuw gegeven. De uiterste consequentie is het die oordelen te laten vellen door enkele personen, intendanten, kunstschouwers of rijks- of gemeentelijke kunstmeesters. Dat de politiek zich met de kunst bemoeit is noodzakelijk, maar wel op kunst- en cultuurpolitiek niveau. Het inhoudelijk oordeel moet (nu eenmaal onvermijdelijk) geveld worden door kenners. Die zijn het best te organiseren in kleine verbanden: commissie van drie. Dat maakt het oordeel niet alleen scherper, kwalitatiever en transparanter, het wordt dan ook weer aantrekkelijk voor de besten om er aan mee te doen. Een combinatie van kleine commissies en intendanten kan heel goed worden vormgegeven in een verbouwde Amsterdamse Kunstraad. Niet wegduiken voor soms moeilijke keuzes zoals op landelijk niveau is gebeurd.


Stevijn van Heusden
Oud-directeur Kunsten WVC, OCW en o.m. 
oud-voorzitter Kunsten ‘ 92

Wat ik zoal gedaan heb



CV STEVIJN VAN HEUSDEN
Weimar 10 januari 1945

1957-1964 Rhedens Lyceum en Utrechts Montessori Lyceum
1964-1969 Academie voor Beeldende Kunst Arnhem, eindexamen grafisch ontwerper en boekontwerper. In die periode productie en financiering studium generale ABK. Idem (de legendarische) concerten op de ABK, o.a. met Sonny Rollins, Dexter Gordon.
1969-1975 Werkzaam als ontwerper, o.m. voor Malmberg Uitgeverij. Van 1970-72 daar wnd. chef vormgeving. 1972-74 naast ontwerppraktijk werkzaam als coördinator centrum kunstzinnige vorming Apeldoorn. Actief in lokale politiek, ondermeer bestuurslid afdeling en federatie van de PvdA. In die periode o.m. voorzitter regionale CPDB (pedagogische bijscholing kunstenaars). 1974-75 directeur stichting kunstzinnige vorming Tilburg.
1975-1980 Plv. directeur Stichting Musische Vorming Rotterdam (nu SKVR). Fase van ontwikkeling en opbouw. Onder algemeen directeur verantwoordelijk voor beleidsontwikkeling, bedrijfsvoering en financiën. In die periode o.m. voorzitter landelijke CPDB (pedagogische bijscholing kunstenaars).
1980-1984 Plv.hoofd en hoofd afdeling kunstzinnige vorming en amateuristische kunstbeoefening van de Directie Kunsten van de ministeries CRM en WVC. In deze periode ook commissaris van de Koninklijke Nederlandse Krachtsport Bond.
1984-1998 Directeur Kunsten, ministeries WVC en OCenW.
Beleidsontwikkelaar van de ministers Brinkman en d’Ancona en staatssecretaris Nuis.
Ontwikkelde de beleidssystematiek van het kunstenplan/cultuurnota. Verantwoordelijk voor het tot stand komen van de eerste drie kunstenplannen.
Meer specifiek verantwoordelijk voor: afbouw BKR; ontwikkeling nieuw beleid beeldende kunst, vormgeving en architectuur; podiumkunsten operatie, orkesten en toneel; verdere fondsvorming, oprichting fondsen voor podiumkunsten, beeldende kunst, vormgeving, architectuur; reorganisatie Nederlandse Opera, opera Forum, Filmmuseum; tot stand komen Architectuur Instituut, Vormgevingsinstituut, fiscale maatregelen film. Verantwoordelijk voor het internationale kunstbeleid en gedurende een aantal jaren voor het geheel van het internationaal cultuurbeleid.
Management Directie Kunsten en budgethouder.
1998-2000 Voorzitter Projectorganisatie Kunstvakonderwijs.
Na te kennen te hebben gegeven na de periode Nuis te willen vertrekken als directeur Kunsten, door staatssecretaris Nuis en minister Ritzen gevraagd als voorzitter Projectorganisatie Kunstvakonderwijs met als opdracht het actualiseren van het hoger kunstvakonderwijs; het ontwikkelen van profielen voor alle kunstdisciplines inclusief nieuwe media; structuur &c.
2000-2003 Algemeen en zakelijk directeur Stedelijk Museum Amsterdam. Opdracht realiseren uitbreiding museum en vernieuwen organisatie.
Aanvankelijk goedgekeurde plannen door nieuw (2002) college terug gedraaid. In december 2002 opdracht terug gegeven. Tot 1 juli 2003 aangebleven voor dagelijkse leiding, als adviseur van Commissie Toekomst Stedelijk Museum (Sanders) en ter voorbereiding interim directeurschap.
2003-2006 Bestuursadviseur gemeente Amsterdam 
( burgemeester Cohen en wethouder Aboutaleb).

Voormalige bestuursfuncties

Voorzitter interim bestuur Muziekcentrum Den Haag (Dr. Anton Philipszaal, Nieuwe Kerk), voorzitter bestuur Stichting BKInformatie, lid gemeentelijk commissie Schouwburg/Musis Sacrum Arnhem, lid bestuur Stichting Concertzender, lid bestuur Stichting Julidans, lid bestuur Centrum Nederlandse Muziek, voorzitter gemeentelijke kunstcommissie Renkum, lid bestuur Stichting Fotografie Museum Amsterdam, lid bestuur Stichting Museumplein, lid bestuur Stichting Museum Jaarkaart, lid bestuur Stichting Beeldrecht, lid Verenigingsraad Rietveld Academie Amsterdam, lid board Art Matters – Netherlands Technical Studies in Art, voorzitter Vereniging Kunsten 92, voorzitter Stichting Ateliers 63, penningmeester hoofdbestuur BNO –beroepsvereniging Nederlandse Ontwerpers, lid bestuur Stichting Holland Festival, voorzitter bestuur Stichting Certificering Kunsteducatie en Amateurkunst, voorzitter bestuur Nieuw Ensemble.

Voormalige adviesfuncties

Advies over bestuursstructuur Stroom hcbk Den Haag, advies aan wethouder cultuur Arnhem over ontwikkeling en organisatie cultuurbeleid, advies over organisatie Nieuw Ensemble, voorzitter adviescommissie gemeente Rotterdam m.b.t. Rotterdamse Kunststichting en Stichting Kunstzinnige Vorming Rotterdam, adviseur bestuur Kunstcentrum Volten, adviseur burgemeester Amsterdam m.b.t. islamitisch cultureel centrum, Hogeschool ArtEZ, advisering samenwerking en profilering van de drie autonome opleidingen.

Voormalig jurywerk

Voorzitter jury Bestverzorgde Jaarverslagen (Grafische Cultuurstichting).



Huidige bestuursfuncties


Voorzitter Stichting Pictoright, voorzitter bestuur Atlas Ensemble.