Nieuwjaarsbijeenkomst ICN, Mondriaan Stichting en Stedelijk Museum, 6 januari 2003
Dames en heren,
Hartelijk welkom hier in het Stedelijk ter gelegenheid van de gezamenlijke nieuwjaarsbijeenkomst van ICN, Mondriaan Stichting en Stedelijk Museum.
Elk jaar wordt er door de directie van een van de gastinstellingen een kort exposé gehouden. Dit jaar –geheel toevallig- is de beurt aan het Stedelijk.
Wellicht dat sommigen van U verwachten dat ik dit podium zal gebruiken om de afgelopen maanden en weken wat meer en détail met U door te nemen. Dat gebeurt misschien ooit, maar niet nu en niet hier.
Het Stedelijk Museum is er nu vooral bij gebaat dat de beoogde commissie van wijzen, voorzien van een ruim mandaat, zo spoedig mogelijk met het opnieuw definiëren van de toekomst van het museum aan het werk kan. En hetzelfde geldt voor een zo spoedig mogelijk te benoemen bestuurscommissie die voor de komende tijd de bestuurlijke continuïteit moet waarborgen.
Het gaat in mijn bijdrage dus niet over het Stedelijk in het bijzonder. Maar aan wat ik in algemene zin betoog, is ook het Stedelijk niet ontkomen.
Dames en heren,
De laatste tijd zijn wij overstelpt met evaluatieve beschouwingen over de tijdgeest en in het bijzonder die van het afgelopen jaar. Een tijdgeest die ook cultuuropvattingen heeft geproduceerd. Cultuuropvattingen waarmee wij allemaal, letterlijk linksom of rechtsom, mee te maken hebben.
Onder anderen, schreven Bas Heijne, Michaël Zeeman en Rick van der Ploeg daarover.
Niets komt zomaar uit de lucht vallen en dat geldt dus ook voor de door de huidige tijdgeest gebaarde cultuuropvattingen.
In een artikel, eind november in de Volkskrant, meent de vorige staatssecretaris voor Cultuur, Rick van der Ploeg, dat het ‘zeer goed mogelijk is dat de smaakkeurmeesters en de culturele sector het onheil van het populisme voor een deel over zichzelf hebben afgeroepen’.
Daar wil ik het vanmiddag kort over hebben.
In hoeverre is het onheil van het populisme eigen schuld van de kunstwereld en in hoeverre komt dat voor rekening van Van der Ploeg en zijn navolgers, de mensen van de populistische leefbare partijen die, zeg maar, Rick’s gedachtegoed hebben geannexeerd.
De vorige staatssecretaris sprak over kunst in sociologische en economische termen.
Kunst als zuiver sociaal verschijnsel en het kunstwerk louter als product van kunstbeleving.
Als uitgangspunt gold daarbij dat de samenleving veranderde en daarmee ook de kunst.
Met dat uitgangspunt is niets mis. Uiteraard dienen kunstbedrijven en culturele instellingen zich rekenschap te geven van ontwikkelingen in de kunst, de maatschappij en de veranderende relatie daartussen en van invloeden die uitgaan van bijvoorbeeld de welvaart of de technologie. Maar de raison d’être van kunst ligt niet in haar sociologische of economische betekenis.
Van der Ploeg wilde ook een nieuwe groep laten meespreken: jongeren, mensen met andere culturele achtergronden.
Op zich ook geen slecht idee. Maar: waarover meespreken. Over kunst? Of eigenlijk over sociale structuren en macht.
Nieuwe mensen laten meespreken, laten nadenken, bijvoorbeeld over de rol en betekenis van elites, prima.
Ramsey Nasr heeft daar behartigenswaardig over geschreven: ‘In de huidige cultuur, waarin een meritocratie (een prestatiemaatschappij) heeft bewerkstelligd dat iedereen met een boerenverstand zich kan opwerken tot de financiële bovenlaag, ongeacht afkomst of opleiding, moet men een andere definitie van elite formuleren.
De culturele elite bestaat niet meer uit blanke rijkeluiszoontjes die rechten studeren, teneinde te worden wat hun vader was. De nieuwe elite is een elite van de geest, een elite waartoe allochtonen en ex-asielzoekers gerekend moeten worden.’
Van der Ploeg heeft geen andere definitie van elite geformuleerd. Het leek er vooral op dat hij werd gedreven door wantrouwigheid jegens de bestaande culturele elite. Wantrouwigheid ook jegens kunstenaars, die immers steeds maximale vrijheid opeisen om hun werk te kunnen doen, en wantrouwigheid jegens de ‘kunstelite’, door Van der Ploeg ook aangeduid als snobs die de kunst gebruiken om zichzelf van het gewone volk af te schermen. Kunst is, zo leek de redenering, van iedereen, iedereen kan het en iedereen kan het zeker beoordelen. Kunst dus als sociaal verschijnsel en het kunstwerk louter als product van kunstbeleving.
De opvattingen van de Amsterdamse wethouder van cultuur (Hannah Belliot) passen in dit beeld. Zij is van mening dat een museum voor moderne kunst ‘een plaats moet zijn waar mensen op zondagmiddag moeten kunnen socializen’. Ik neem aan temidden van het werk van Herman Brood.
Ik begon met Van der Ploeg te citeren waar deze zei dat ‘de culturele sector het onheil van het populisme voor een deel over zichzelf heeft afgeroepen’.
Hoe reageerde de kunstwereld en in het bijzonder de ‘kunstelite’ op Van der Ploeg als staatssecretaris?
Volgens de hooggeleerde Beunders als volgt:
‘De elite trekt zich schamperend en tierend terug in de steeds kleiner wordende enclave van morele en culturele superioriteit. Hiermee wordt het vermoeden bewezen: dat de revolutionairen van ’68 ‘het volk’ nooit vergeven hebben dat het toen niet naar hen luisterde.’
Afgezien van de curieuze bewijsvoering, is wat Beunders verwoordt wat veel mensen ervaren.
Degenen die zich aangesproken voelden, reageerden vooral op het in hen uitgesproken wantrouwen. Dat is op zich wel begrijpelijk –ik ben inmiddels ervaringsdeskundige- maar het is verstandiger om het inhoudelijk te benaderen en van inhoudelijk commentaar te voorzien.
Het is van groot belang dat kunstenaars weer het voortouw nemen. Dat zij aantonen dat kunst weliswaar een sterk sociale en socialiserende functie heeft en ook een economisch belang vertegenwoordigt, maar dat, door kunst te zien als een zuiver sociologisch en economisch verschijnsel, het paard achter de wagen wordt gespannen.
‘ … het paard hoort voorop te gaan, als het sterk genoeg is volgt de wagen vanzelf’, schrijft Cornel Bierens.
Dames en heren,
Wat wij niet moeten doen is de invloed van de door de tijdgeest gebaarde populistische cultuuropvattingen onderschatten.
Wat wij wel moeten doen is conform Bierens’ aanbeveling het paard weer voor de wagen spannen.
Mochten wij dat niet kunnen of willen, dan is –om met Michaël Zeeman te spreken- binnenkort:
-de canon weg
-het museum leeg
-en de muziek verstomd
5 januari 2003 / Stevijn van Heusden