Dit is een stuk uit het derde deel -over boeken- van het boekje dat ik aan het schrijven ben.
Paris 1830
De houtzagerij
LE ROUGE ET LE NOIR
Paris Verrières
Halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw vloog ik met mijn baas minister Elco Brinkman in een klein vliegtuigje van Rotterdam naar Parijs. Een reis die minder tijd in beslag nam dan de tocht per auto van het vliegveld Le Bourget naar het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille in het centrum van de stad. Omdat we niet meteen konden landen maakte het vliegtuigje een paar rondjes over de stad. De stad die ook uit de lucht niet met een andere verward kan worden: we zagen onder ons de Tour d’Eiffel, de Arc de Triomphe, het Place de la Concorde , het Louvre, het Panthéon, de Madeleine, de Sacré-Coeur, de boulevards. Al die plaatsen waardoor ook mensen die er nooit waren weten: dit is Parijs. Met uitzondering van het Louvre en het Panthéon bestonden die plaatsen niet in het Parijs van Stendhal. Het Parijs van Stendhal en het Parijs van 1830 toen Stendhal’s eerste grote roman, Le Rouge et le Noir, uitkwam, was een propvolle middeleeuwse nog ommuurde vieze, stinkende stad. De Champs-Elysées was een brede modderige weg die leidde van de bakstenen stompen van de onvoltooide Arc de Triomphe naar wat later het Place de la Concorde werd, maar toen één grote modderpoel was, doorsneden door stinkende sloten. Door het hart van de stad liep, net als nu, de Seine. Een bruin-troebele stroom waarin werkelijk alles werd geloosd wat de mensen maar kwijt wilden, een paradijs voor ratten en ander ongedierte. Met langs de ongelijke, ongeplaveide oevers duizenden bootjes, pieremachochels, drijvende badkuipen, bewoonde, begroeide, halfgezonken vlotten van armoede. De bruggen, half zoveel als nu, waren slordig bebouwd met winkels en huizen. Het Louvre was zoals in onze tijd, maar dan nog met het paleis les Tuileries, waar in 1830, voor de revolutie van dat jaar, de Bourbon-restauratie-koning Karel X resideerde. Van de Madeleine bestond alleen de fundering. Er omheen lege kavels waarmee heftig werd gespeculeerd –onder andere door Balzac!- omdat daar een treinstation zou komen. De Opéra was er nog niet en op de zuil van het Place Vendôme prijkte niet Napoleon maar een enorme Fleur de Lys, symbool voor de restauratie en de Bourbons. Maar weinig straten waren geplaveid en de meeste zonder trottoirs. Een zijstraat ingaan was gevaarlijk. Ze waren nauw, modderig en liepen vaak dood. Parijs was in 1830 een stad met meer dan 700.000 inwoners, samengeperst binnen de muren: middeleeuws, overbevolkt, smerig. Stendhal die Milaan kende als een ruime, schone stad, hekelde de zwarte modder van Parijs en het gebrek aan bomen. En wanneer Chopin en de dichter Alfred de Vigny, Berlioz gingen opzoeken die op Montmartre woonde, dan was dat een uitje naar ‘buiten’, naar de ‘campagne’.
De echte campagne lag verder van Parijs. En echt ver van Parijs lag Verrières, het stadje in de Franche-Comté waar Stendhal’s roman Het rood en het zwart begint:
‘Verrières kan worden beschouwd als een van de mooiste stadjes in de Franche-Comté. De witte huizen met puntdaken van rode pannen liggen tegen de helling van een heuvel waarop het dichte loof van forse kastanjes zelfs de geringste oneffenheid markeert. Een paar honderd voet beneden de vervallen vestingmuren, die eertijds door de Spanjaarden zijn gebouwd, stroomt de Doubs.
Aan de noordzijde wordt Verrières beschut door een hoge berg, een uitloper van de Jura. De brokkelige toppen van de Verra worden al met de eerste oktoberkou met sneeuw overdekt. Langs de berg stroomt een beek omlaag, doorsnijdt Verrières en brengt, alvorens uit te monden in de Doubs, een groot aantal houtzagen in beweging; deze heel eenvoudige industrie verschaft een zekere welstand aan de meeste inwoners, die veeleer boeren dan stadslui zijn. Toch is dit stadje niet door de houtzagen rijk geworden: de fabriek voor gedrukte stoffen, het zogeheten ‘Mulhousense linnen’, heeft gezorgd voor de algemene voorspoed waardoor, sedert de val van Napoleon, de gevels van bijna alle huizen in Verrières gerestaureerd konden worden.
Men is het stadje nog niet binnen, of men wordt overweldigd door het oorverdovende lawaai van een vervaarlijk ogende machine. Twintig zware hamers, die neervallen met het gedaver dat het plaveisel er van trilt, komen omhoog in een rad dat wordt aangedreven door het water van de bergstroom. Elke hamer produceert dagelijks ettelijke duizenden spijkers. Leuke, frisse meisjes leggen de stukjes ijzer klaar, die onder de geweldige hamerslagen veranderen in spijkers. Dit kennelijk zo ruwe werk brengt de reiziger die voor het eerst in de bergen komt die Frankrijk scheiden van Zwitserland, in grote verbazing. Als hij bij zijn aankomst in Verrières vraagt van wie die mooie spijkerfabriek is, die de voorbijgangers in de hoofdstraat verdooft, antwoordt men men slepend accent: ‘O! Die is van mijnheer de burgemeester.[1]’’
Mijnheer de Rênal
Die burgemeester heette mijnheer de Rênal. Mijnheer de Rênal was een grote man met drukke manieren en een gewichtig voorkomen. Zijn haar begon te grijzen en hij ging in het grijs gekleed. Hij droeg verschillende ridderorden , had een hoog voorhoofd, een haviksneus en een regelmatig gezicht. Op het eerste gezicht een charmante man. Maar op het tweede gezicht, laat Stendhal ons weten, ‘wordt de reiziger uit Parijs getroffen door een air van zelfgenoegzaamheid en gezapigheid, dat gepaard gaat met iets bekrompens en gebrek aan fantasie. En het dringt tot hem door dat het talent van deze man beperkt blijft tot het zich prompt laten uitbetalen van dat wat hèm toekomt, en tot het zo traag mogelijk betalen als hij zelf iets schuldig is’.
Rijk geworden door zijn kennis van de ijzerhandel, schaamde het heer de Rênal sinds hij burgemeester was geworden zich ervoor industrieel te zijn. Hij liet zich er op voorstaan te stammen uit een oud Spaans geslacht wat ten tijde van de restauratie veel interessanter was dan het zijn van fabriekseigenaar. Hoe dan ook, zijn met spijkers verworven rijkdom stelde hem in staat zijn vermeende deftigheid ook materieel vorm te geven en wel door het bouwen van een groot huis omringd door fraaie, ommuurde tuinen. Om ruimte te krijgen voor zijn steeds uitdijende tuinen was het op zeker moment gewenst om een houtzagerij –die van de oude Sorel- te laten verhuizen. Daartoe moest eerst de gemeenschappelijke beek verlegd opdat de houtzagerij op de nieuwe locatie over waterkracht kon beschikken. De oude Sorel ruilde zijn oorspronkelijke plek, die één morgen (een kleine hectare) groot was, met mijnheer de Rênal voor vier morgen land en wist uit de obsessie van zijn buurman ook nog eens zesduizend frank te slaan.
Mijnheer Valenod
Mijnheer de Rênal had een concurrent. Dat was mijnheer Valenod. Mijnheer Valenod was een grote, forsgebouwde jongeman met blozend gelaat en dikke zwarte bakkebaarden. Hij behoorde –zo meldt Stendhal ons- tot dat grove, brutale en lawaaierig slag mannen dat toen in de provincie voor knap doorging. Ook mijnheer Valenod was rijk en er als beheerder van het armenhuis niet armer op geworden. Mijnheer Valenod had onlangs, tot ongenoegen van mijnheer de Rênal, voor zijn koets twee prachtige, dure Normandische paarden aangeschaft. ‘Maar’, had mijnheer de Rênal tegen zijn vrouw gezegd ‘een gouverneur voor zijn kinderen heeft hij niet!’ Hij had namelijk in zijn hoofd gezet dat het voor het ophouden van zijn stand gewenst zou zijn een gouverneur voor zijn drie zonen te hebben. Hij besprak dat met zijn jonge, knappe vrouw, die volgens Stendhal haar bedenkingen had maar die niet uitsprak. Mijnheer de Rênal wist ook al iemand. Namelijk de jongste zoon van de oude Sorel. Van de pastoor had hij gehoord dat die al drie jaar theologie studeerde en zelfs overwoog naar het seminarie te gaan. Maar wat de doorslag gaf was dat de jonge Sorel voortreffelijk Latijn sprak en sterker nog, de Bijbel in het Latijn uit zijn hoofd kende! Zo iemand was niet snel te vinden en voordat mijnheer Valenod op hetzelfde idee zou kunnen komen moest er gehandeld worden. Er zou natuurlijk wel voor moeten worden gewaakt dat de gouverneur iemand zou zijn met jakobijnse of liberale ideeën.
Maar, bedacht mijnheer de Rênal zich, een jongeman die de Bijbel in het latijn uit zijn hoofd kent kan onmogelijk een jakobijn of een liberaal zijn, die is latinist en als zodanig dus geen gevaar maar een aanwinst.
De jonge Sorel
Mijnheer de Rênal zijn besluit stond vast. Hij zou de jonge Sorel een jaarloon bieden van 300 frank, kost en inwoning en kleding. Aldus besloten begaf hij zich naar de houtzagerij van de oude Sorel. Daar speelden zich opnieuw voor de burgemeester pijnlijke onderhandelingen met de oude Sorel af terwijl de jonge Sorel in de houtzagerij zes voet hoog, schrijlings op een hanenbalk zat lezen.
Nadat mijnheer de Rênal en de oude Sorel het in principe eens waren geworden over het gouverneursschap van de jonge Sorel heropende de oude Sorel de dag daarop de onderhandelingen om de burgemeester tot nog aanzienlijker concessies te bewegen. En, tot chagrijn van mijnheer de Rênal, met succes. Met de daaropvolgende intrede van de jonge Julien Sorel in het huis van de familie de Rênal begint het verhaal van Het rood en het zwart dan echt.
Waar Het rood en het zwart over gaat
Het verhaal. Nadat Julien Sorel zijn intrek in het huis van de Rênal’s heeft genomen, krijgt hij al snel een verhouding met de vrouw des huizes. Maar, om als intelligente en ambitieus jongmens verder in het leven te komen bood een loopbaan in de kerk, eigenlijk als enige, perspectief. Op zekere dag vertrekt Julien dan ook naar een seminarie. Daar valt hij direct op door zijn scherpzinnigheid, intelligentie en eigenzinnigheid. Dat leidt ertoe dat de markies de La Mole , de rijkste grootgrondbezitter van de Franche-Comté en pair van Frankrijk (erfelijk senator), hem aantrekt als secretaris waardoor Julien in Parijs terecht komt. Daar wordt hij verliefd op de dochter van de markies, Mathilde, met wie hij een verhouding begint. Mathilde wordt zwanger, mevrouw de Rênal schrijft een brief waarin zij Julien beticht van hebzucht, hypocratie en het ontbreken van enig godsdienstig beginsel. Dat wordt een heel gedoe. Julien vlucht en pleegt vervolgens een aanslag (twee pistoolschoten) op mevrouw de Rênal die het overleeft. Julien wordt gevangen genomen en veroordeeld tot de guillotine. In de gevangenis komt hij tot inkeer en verzoent hij zich met mevrouw de Rênal. Hoewel zijn minnaressen willen dat hij in hoger beroep gaat tegen zijn vonnis, weigert hij dat. En sterft onder de hakbijl van de guillotine.
Stendhal ontleende dit verhaal aan een krantenbericht. Maar het verhaal als zodanig is van ondergeschikt belang. Het dient Stendhal als kapstok om te schrijven over liefde, verliefdheid, machtstructuren, de psychologie van de personages en de maatschappelijke realiteit van de restauratieperiode.
Idealen en hypocrisie. Ten tijde van de restauratie probeerden de door de revolutie verdreven aristocratie en geestelijkheid krampachtig hun oude posities weer in te nemen en hun verloren bezittingen weer te heroveren. Koste wat kost. Het boek wemelt dan ook van de ordinaire baantjesjagers en nietsontziende machtzoekers. Rond 1830 was de restauratie –de reactie op de revolutionaire en Napoleontische tijd- op zijn hoogtepunt. Er waren twee partijen in het land: die van de reactionaire ultra-royalisten die de autoritaire van de werkelijke wereld vervreemde koning Karel X steunde en die van de liberalen. De laatste partij werd door de ultra-royalisten uitgemaakt voor jakobijnen en voor wat overigens maar verdacht was. Mijnheer de Rênal is duidelijk van de partij van de ultra-royalisten.
Julien Sorel is intelligent en ambitieus. En vol van hooggestemde idealen en gevoelens komt hij in verzet tegen de maatschappelijke wantoestanden van zijn tijd. In die zin heeft hij alle eigenschappen van de romantische held. Maar als het hem beter uitkomt, zet hij zijn idealen overboord en wordt hij vooral gedreven door zijn heftige wil om carrière te maken in een voor hem eigenlijk uitzichtloze klassenmaatschappij. Julien is idealist, realist en opportunist in één persoon. Hij wordt door Stendhal voortdurend ontmaskerd. Vooral de botsing tussen Julien’s romantische gevoelens en zijn realisme leidt regelmatig tot groteske toestanden.
Maar, aan het eind van het boek, groeit Julien desondanks en tenslotte boven zichzelf uit. In de gevangenis ontstijgt hij aan zijn ambities en neemt hij niet alleen stelling tegen de hypocrisie van zijn tijd, maar ook tegen die van hemzelf.
Stendhal
Stendhal is een meesterlijke psycholoog. Hij legt niet alleen het mechaniek van zijn tijd, de maatschappelijk omstandigheden tijdens de restauratie, bloot maar ook dat van zijn hoofdpersonen. In tegenstelling tot de schrijvers van zijn tijd besteedt hij weinig ruimte aan eindeloze beschrijvingen van eeuwig zingende bossen en andere romantische zaken. Zijn taal is heel direct en precies. Hij heeft een afgrijzen van gekunsteldheid. Je schrijft zo helder en eenvoudig mogelijk. Eigenlijk moet je zo schrijven als je praat. Hij is een realist in een romantische periode. Voor zijn tijd dan ook te modern. Pas aan het einde van de 19e eeuw, toen hij inmiddels ruimschoots dood was, werd zijn genie herkend. En dat is niet meer overgegaan. Stendhal is ook nu nog een moderne schrijver, qua inhoud en vorm. Mij is hij door het lezen van Het rood en het zwart, De Chartreuse van Parma, Over de liefde, Lucien Leuwen, Egotistische Herinneringen, Het leven van Henri Brûlard, Drie literaire kronieken, Armance, De Abdis van Castro en zijn Brieven erg dierbaar geworden[2]. Een intelligente, menselijke, aardige man. Een vriend. Ik praat graag met hem.
Brief aan Alberthe de Rubempré[3]
Brief van Stendhal, Korfu 19 februari 1831
(in werkelijkheid in Triëst geschreven)
(…) Drie dagen geleden kreeg ik een brief als die van U, maar dan nog erger, want aangezien Julien Sorel een schoft is, en het boek een portret van mijzelf zou zijn, maakt iedereen ruzie met mij. In de tijd van de keizer zou Julien een heel fatsoenlijk man geweest zijn; ik ben van de tijd van de keizer; dus… Maar wat doet het ertoe? Als ik een mooie blonde jongen was met het melancholieke uiterlijk dat verwachtingen schept voor modieuze genoegens, dan zou mijn andere vriendin mij niet zo schofterig vinden.
Wij zijn hier met ons twintigen. De consul van Frankrijk is de tweede of de eerste bij de plechtigheden. Een plechtigheid betekent alles voor deze volkeren, omdat een vrouw niet leuk gevonden wordt tenzij ze bij elk bal een nieuwe jurk draagt. Maar vijf à zes consuls hebben een kruis; mijn voorganger en diens voorganger hadden er een; daarom vraag ik erom. Ik verdien het ook vanwege Moskou, Berlijn, Wenen. De keizer zou het daarvoor niet gegeven hebben; maar alle nietsnutten die er na hem (zijn keizerschap) een gekregen hebben, hebben Moskou niet gezien. Zonder jalousie zal ik U vertellen dat ik tijdens de terugtocht uit Moskou, in Bobr was het geloof ik, Daru mij bedankt heeft uit naam van de keizer; Pastoret was erbij en ook Labiche, die nu divisieleider is bij Montalivet. Dat is een fatsoenlijk man en hij zal het beamen, als hij het zich nog herinnert. Want toen was iedereen volkomen afgedraaid en dacht heel openlijk alleen aan zichzelf. Dat zijn, dierbare vriendin, mijn gedachten over het kruis van verdienste, en binnen twee jaar heb ik het ook, als het niet wordt afgeschaft door de minister van Binnenlandse Zaken, die niet dom is.
Stendhal met (wat voor?) kruis
Als Uw ijdelheid door de mijne gekwetst is, zal ik dat toekomstige kruis van verdienste in Frankrijk niet dragen.
Wanneer een schrijver een wilskrachtig karakter neerzet dat bijgevolg ook een beetje schelmachtig is, neemt de naijver haar toevlucht tot de gedachte: de schrijver heeft zichzelf uitgebeeld. Wat voor antwoord zou U daarop verwachten?
Een mens ziet zichzelf van binnen (zoals je het Géorama in de rue de la Paix ziet) en niet van buiten.
Het plezier van het ogenblik overwint al het andere bij mij. Als ik Julien was, zou ik vier keer in de maand een bezoek aan de Globe hebben gebracht, of ik zou, met gevolg, naar Pastoret gegaan zijn. Geef daar eens antwoord op, afgunstige vrouw! Ik ben niet één enkele keer naar het Luxembourg gegaan toen Pastoret sr. kanselier was. Welnu, Dacier van de bibliotheek[4] heeft mij duidelijk te verstaan gegeven dat hij zich volkomen zou laten leiden door Pastoret.
Julien zou daar overal zijn voordeel mee hebben gedaan. En nog meer met de salon van mevrouw Aubernon en met de vriendschap van Béranger.[5] (…) U gelooft dat ik meen dat Le Rouge een succes is, en U wilt mij straffen, maar in de kracht van de bestraffing zie ik het grootse idee dat u van het succes hebt.
Kijk naar onze schilders, Gérard, Gros, ze worden geroemd. Twintig jaar na hun dood worden zij al niet meer de gelijken geacht van Bonifazio, van Palma Vecchio, van Maratte, van Pordenone et cetera, van derderangs schilders van het gelukkige Italië. Dit zeg ik om U wat te kalmeren en tezelfdertijd is het absoluut wáár. Ik neem aan –maar dat weet ik niet omdat ik geen enkele krant lees, behalve de Quotidienne en de Gazette- ik neem aan dat Le Rouge succes heeft; over twintig jaar zullen de boekhandelaren en het publiek het niet hoger waarderen dan la Religieuse portugaise, Jacques le fataliste, Marianne[6], et cetera, et cetera.
Als U nog verontwaardigd bent, gelooft U dat ik lieg. Hoe wilt U dan, verdraaid, dat ik bewijs dat ik niet lieg? –Tot nu toe hebben mij al drie vrouwen de meest verschrikkelijke dingen geschreven naar aanleiding van Julien, vrouwen van wie er één een tedere vriendschap voor mij voelt. Geloof dus niet dat ik zo trots ben op het succes. Vervolgens mag U denken dat ik het kruis van verdienste wil hebben; maar als U, in plaats daarvan, mij zou willen overplaatsen naar Napels of Genua, zou ik nog veel gelukkiger zijn. Als U mij nog blijer wil maken, zorg er dan voor dat een redelijke staat als New York de geest en het klimaat van Italië krijgt, zijn kunst, zijn ruïnes, en stuur mij dáár dan heen en beschouw mij als een kwast als ik U dan nog ooit om het kruis van verdienste vraag.
U weet dat ik ben aangesteld in Civita-Vecchia; maar hoe moet ik daar komen? De opstandelingen hebben de wegen naar Perugia en Spoleto afgesneden. Behalve de legers van beide partijen[7] zijn er troepjes struikrovers die op het platteland huishouden. Ik ga waarschijnlijk via Genua om mij daar in te schepen naar Rome. Maar de duivel met al die opstandelingen! –Vergeet Uw woede; over een half jaar zal niemand meer over Le Rouge spreken, en ik zal U een bekentenis doen: ik ben helemaal nooit naar Rusland gegaan; dat was mijn broer Henri-Marc, wiens papieren ik heb, hetgeen mogelijk was omdat ik Henri-Marie heet: dezelfde initialen.
Duizend lieve groeten aan Delacroix, Schnetz, Frédéric. Vraag aan Schnetz of hij mij zegt waar zijn appartement in Rome is. U hebt gelijk; Besançon zou Apolinaire[8]over kunnen halen zich voor mij in te zetten. Brieven doen geen goed bij Apolinaire.
Uw Marie-Henri Beyle
Uw Marie-Henri Beyle
[1] Het begin van Stendhal’s Het rood en het zwart. Uitgeverij L.J. Veen, 1993. Vertaling Hans van Pinxteren
[2] Voor wie over Stendhal wil lezen is Stendhal uit de serie Modern Critical Views onder redactie van Harold Bloom, uitgeverij Chelsea House, 1989, aan te raden. Met stukken van o.a. Simone de Beauvoir, Georg Lukács en Paul Valéry.
[3] Een nicht van Delacroix en kortstondig minnares van Stendhal, ook wel madame Azur. Deze brief is ontleend aan Stendhal Brieven, AP privé domein 1981, in vertaling van Joyce & Co. Hier en daar heb ik de enigszins slordige (!?) vertaling wat aangepast. Overigens schreef Stendhal zelf ook slordig.
[5] Béranger was een beroemde zanger en mevrouw Aubernon de vrouw van een pair de France, een adellijke dame met een salon dus.
[6] Respectievelijk een anonieme fake-vertaling uit 1669 van liefdesbrieven van een non, roman van Diderot uiy 1796 en een romance van Marivaux uit 1741.
[7] Italiaanse revolutionairen en Oostenrijkse troepen. De revolutionairen –die voor de eenheid van Italië streden- hoopten aanvankelijk op Franse steun, die er niet kwam.
[8] Apolinaire graaf d’Argout, politicus en bekende van Stendhal. Stendhal verwachtte veel van hem als het ging om de verbetering van zijn positie.


.jpg)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten