Dit is a-typisch voor het boekje dat ik aan het schrijven ben. Het is een intermezzo in het eerste deel ervan dat gaat over (mijn) helden. Het staat tussen Joseph Brodsky en Hadrianus in en is ontstaan toen l'Aquila en de Abruzzo in april 2009 door een aardbeving werden getroffen.
INTERMEZZO Rampzalige ziel die hier als een paal
ondersteboven in dit gat staat
I
Venetië, 1995. De Biënnale, met in het Nederlandse paviljoen Marlene Dumas, Maria Roosen en Marijke van Warmerdam. Dat had nogal wat gedonder gegeven tussen de curator, Chris Dercon, en de beheerders van het paviljoen. Het paviljoen moest gedeeltelijk verduisterd worden om het werk van Marijke van Warmerdam zichtbaar te krijgen en de beheerders vonden dat zoiets het karakter van Rietveld’s schepping aantastte.
We logeerden in een hotel met lage kamers. Zo laag dat Aad Nuis niet onder de douche paste. Na de Biënnale reden Resi en ik langs de kust naar het zuiden. Via Pomposa naar Ravenna, waar we buiten de stad in een klein hotel terzijde van de Sant´Appolinare in Classe logeerden. De hotelbaas, een jonge man met een mislukte tenniscarrière, raadde ons aan met de bus naar Ravenna te gaan, want ´parkeren is daar net zo moeilijk als in New York´.
Na Ravenna reden we verder zuidelijk met als doel de Abruzzo. Zo kwamen we in l´Aquila terecht in hotel Duca di Abruzzi. Van uit onze badkamer keek je, liggend in het bad, op de Gran Sasso, de imposante berg waar Mussolini nadat hij was afgezet dacht veilig te zijn tot hij daar in 1943 ook moest vluchten en door Hitler werd ontvoerd.
Gran Sasso
We verkenden van uit l´Aquila de Abruzzo met zijn oeroude dorpen. En we reden naar beneden, de bergen uit, richting Rome, om Tivoli en de Villa van Hadrianus te gaan bekijken.
Nu ik dit schrijf (april 2009) zijn de Abruzzo en l´Aquila, voor de zoveelste keer in hun lange geschiedenis getroffen door een ernstige aardbeving. Hoe erg zullen de kerken, paleizen en fonteinen beschadigd zijn? Het moderne ziekenhuis, door de maffia aardbeving-proof gebouwd, is ingestort. Maar ook het schip van de Santa Maria di Collemaggio is geïmplodeerd en heeft het graf van Celestinus bedolven.
II
Tegen het einde van de maand juli 1294 toog een rijstoet van kardinalen, prelaten, vorsten, ridders, voetvolk en hoeren van Perugia naar de Abruzzo. Ze waren op weg naar de berg Morrone waar in een grot de tachtigjarige kluizenaar Pieri Angeleri woonde.
Santa Maria di Collemaggio
De enorme stoet bereikte na een krankzinnige tocht langs geiten- en schapenpaadjes waarbij verschillende gewonden vielen en twee doden, de grot en trof daar een verwilderde man aan, met een lange baard en holle ogen vol ontzetting. De kardinalen, prelaten, vorsten en ridders knielden voor de kluizenaar neer en sommigen kusten zelfs zijn sandalen. Pieri Angeleri moet gedacht hebben dat het een zinsbegoochelend visioen was. Dat de duivel hem een poets bakte.
Wat was er aan de hand. Na de dood van paus Nicolaas IV in 1292 slaagden de kardinalen er niet in het eens te worden over een nieuwe paus. Hun belangen lagen zo ver uiteen dat zij er twee jaar over deden om tenslotte tot overeenstemming te komen. Kardinaal Latinus wist een doorbraak te realiseren door een totale outsider voor te stellen: de kluizenaar Pieri Angeleri, beter bekend als Petrus van Morrone. Deze bijna heilige zou als paus hun belangen niet schaden. Ze konden hem misschien wel voor hun karretjes spannen. Hoe dan ook. De kardinalen waren inmiddels zo moe en wanhopig dat ze –God zegene de greep- Petrus van Morrone op 5 juli 1294 tot paus uitriepen. Toen de oude man zich realiseerde wat er aan de hand was, probeerde hij de benen te nemen. Maar al snel werd hij ingehaald en wist men hem er van te overtuigen dat hij zijn uitverkiezing niet kon weigeren. Petrus van Morrone, met zijn kluizenaarshabijt nog aan, werd op een ezel gezet en omringd door de kardinalen, prelaten, vorsten en ridders naar L’Aquila gevoerd. Koning Karel van Anjou en zijn zoon reden aan weerszijden van de ezel en al zingend en biddend bereikte de stoet de stad waar Petrus in de kerk van Santa Maria di Collemaggio tot bisschop werd gewijd en vervolgens tot paus gezalfd. Toen dit alles achter de rug was begon men zich te realiseren dat de nieuwe paus na zestig jaar in zijn grot te hebben geleefd totaal wereldvreemd was en werkelijk iedereen op zijn mooie ogen geloofde. Zo vertrouwde hij Karel van Anjou onvoorwaardelijk en ging hij dan ook akkoord met diens voorstel om het pauselijk hof van Rome naar Napels –de residentie van Karel- te verplaatsen.
Daar werd de paus in een cel opgesloten waar hij bad, mediteerde en heftig verlangde naar zijn heremietengrot op de Monte Morrone.
Een commissie van kardinalen bestuurde intussen de kerk. Eén van hen, kardinaal Caetani, vond het na verloop van tijd welletjes en liet in de cel van de paus een spreekbuis aanbrengen waardoor hij in het holst van de nacht begon te fluisteren dat Celestinus zich maar beter als paus kon terugtrekken. De paus dacht dat het God was die hier sprak en legde zijn waardigheden neer. Kardinaal Caetani werd vervolgens als Bonifacius VIII de volgende paus. Het volk bleef echter om de kluizenaar-paus roepen. Het irriteerde Bonifacius dat zijn voorganger zoveel populairder was dan hij en liet hem gevangen nemen. De ex-paus werd opgesloten in het kasteel van Fumone waar hij kort daarna overleed.
Dante’s Hel
Dante[1] had zowel met Celestinus als met Bonifacius een appeltje te schillen. Hij deed dat in zijn Goddelijke komedie. In de Hel, canto III, schrijft hij: ‘En toen ik keek, zag ik een vaandel in de rondte gaan met zulk een snelheid dat het mij toescheen dat het elke rust onwaardig was. En daarachter liep zo’n lange stoet van mensen dat ik nooit zou hebben gedacht dat de dood er al zoveel had weggevaagd. Nadat ik er enkelen had herkend, ontwaarde ik ook de schim van hem wiens lafheid de oorzaak was van zijn grote weigering. Terstond begreep ik toen, en ik was er ook zeker van, dat ik daar de schare zag van slappelingen die aan God en aan zijn vijanden mishaagden’. We weten het niet zeker, maar waarschijnlijk gaat achter deze ‘laffe schim’ Celestinus V schuil. Men vond toen en nog, en Dante dus kennelijk ook, dat een door God gezonden paus niet kon aftreden.
In de Hel, canto XIX, duikt Bonifacius VIII op. Dante schrijft: ’Wie gij ook zijt, rampzalige ziel die hier als een paal ondersteboven in dit gat staat,’ zo begon ik, ‘zeg eens iets als ge kunt.’ En terwijl ik erbij stond als een priester die de biecht hoort van een sluipmoordenaar, die hem met zijn hoofd in het gat bij zich roept en zo de dood nog even uitstelt, schreeuwde hij: ‘Zijt gij daar al, Bonifatius, zijt gij daar al? Dan heeft het boek van de toekomst een paar jaar gelogen toen ik erin las. Hebt ge zo gauw al genoeg gekregen van die rijkdom, waarvoor ge u zonder enige terughoudendheid de schone bruid durfde toeëigenen die ge daarna als een hoer hebt misbruikt?‘ Zou de paal Celestinus zijn? Hoe dan ook, Dante vond niet alleen dat Bonifacius zich bovenmate had verrijkt, maar ook dat hij Celestinus op onoirbare wijze tot abdicatie had gedwongen om daarna via onwettige verkiezingen zelf paus te worden.
Noch Celestinus noch Bonifatius zijn helden. Wij kwamen hen op weg van Venetië naar de Villa Hadrianus toevallig tegen.