zaterdag 13 februari 2010

Ook dit is een hoofdstuk uit het boekje dat ik geschreven heb. Uit deel III, over boeken.




Heinrich Heine, schilderij van Gottlieb Gassen uit 1828




DIE STADT SELBST IST SCHÖN UND GEFÄLLT EINEM AM BESTEN, WENN MAN SIE MIT DEM RÜCKEN ANSIEHT/HEINRICH HEINE, REISEBILDER

Ich weiß nicht was soll es bedeuten
Het eerste werk van Heine dat ik onder ogen kreeg was, uit de boekenkast van mijn moeder, een ‘bloemlezing uit zijn poëzie bijeengebracht en ingeleid door dr.J. Presser’ met als titel: Ich weiβ nicht was soll es bedeuten. Een uitgave in de Ooievaar reeks van Bert Bakker uit 1956. En daarvan bewonderde ik vooral het vers:

Sie saβen und tranken am Teetisch,
Und sprachen von Liebe viel.
Die Herren, waren ästhetisch,
Die Damen von zartem Gefühl.

Die Liebe muβ sein platonisch,
Der dürre Hofrat sprach.
Die Hofrätin lächelt ironisch,
Und dennoch seufzet sie:Ach!

Usw.

Het gedicht eindigt met de vaststelling dat er aan tafel nog één plaatsje vrij was, waar ‘jij, mijn liefje ontbrak’. Want ‘jij, mijn schatje, had zo aanminnig over je liefde verteld’. Enfin, ik was toen twaalf of dertien jaar oud en ernstig onder de indruk.
De titel van Presser’s bloemlezing is de eerste regel van het eerste vers van Die Loreley. De eerste twee regels luiden:

Ich weiβ nicht was soll es bedeuten,
Daβ ich so traurig bin;

Nee, dat wist je als beginnend puber niet.

Zowel Presser als Marcel Reich-Ranicki[1] hadden, niet zo merkwaardig, iets met Heine en de nationaal-socialisten. Presser schrijft: ‘Tijdens de oorlog ben ik, behalve nog het een en ander, ook een nationaal-socialistisch gezangbundeltje kwijt geraakt en dat spijt me. Niet omdat ik daar geregeld uit placht te zingen, maar omdat het een, zelfs voor het ons-is-niets-te dolle Duitse bewind van toen, merkwaardige curiositeiten bevatte. Er stond namelijk in dat bundeltje een lied met de regels:

Ich weiβ nicht was soll es bedeuten,
Daβ ich so traurig bin;

en daaronder: Dichter unbekannt.’

Reich-Ranicki schrijft[2]: ‘Toch heb ik, hoe merkwaardig het ook mag klinken, de kennismaking met Heine aan de nationaal-socialistische cultuurpolitiek te danken. Men moet niet denken dat er in die tijd niets over hem en zijn werk werd gepubliceerd. Zo herinner ik mij een boek waarvan de auteur zijn lezers uitlegde dat Die Loreley niet in het Duits maar in het Jiddisch was geschreven. Daarvan getuigde reeds het eerste vers: Ich weiβ nicht was soll es bedeuten. Een Duitser zou hebben geschreven: Ich weiβ nicht was es bedeuten soll.’

Niet lang na mijn kennismaking met Heine door Presser kwam ik in het bezit van Uit de gedenkschriften van den heer Von Schnabelewopski. Wat vooral veel indruk maakte was de naam van de bediende van de familie Schnabelewopski: die heette Prrschtzztwitsch. Maar waar het verhaal werkelijk om draait zijn de wederwaardigheden van Simson, een klein schriel  Joods mannetje, dat alleen zijn naam gemeen heeft met de grote held uit de bijbel en die te midden van hem bespottende Leidse[3] Filistijnen jammerlijk sterft. Heine vorsers zijn van mening dat Simson Heine’s zelfportret is. Martin van Amerongen schrijft daarover: ‘De man die eerst van Hegel had geleerd dat de mens een tweebenige God is, om uiteindelijk, in het aangezicht van de dood, weer rouwmoedig tot de ware, bovenaardse God terug te keren’. 
Dat Simson staat voor de Jood Heine, mag zo zijn, maar of dat laatste –de rouwmoedige terugkeer tot God-ook werkelijk zo is geweest, mag worden betwijfeld. In een kort bericht in het Algemeen Handelsblad jaargang 1856 wordt  nadrukkelijk vermeld dat Heine’s laatste gang naar het kerkhof van Montmartre niet door een geestelijke werd begeleid. Heine, getuige zijn Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland, was veeleer een aanhanger van de gedachten van Spinoza: God staat niet boven of naast ons, maar is alles wat bestaat.

Affrontenburg
Heine had een bijzondere relatie met zijn oom Salomon. In tegenstelling tot Heine’s vader, die een kleine handelaar was, klom Salomon op tot een belangrijk Hamburgs bankier en een zeer rijk man. Het is dan ook waarschijnlijk dat Heine’s moeder haar oudste zoon met het oog daarop naar haar zwager in Hamburg zond. Daar moest hij het vak van bankier leren om later oom te kunnen opvolgen. Dat is er nooit van gekomen. Oom Salomon Heine schreef later daarover: ‘Hätte der dumme Junge etwas gelernt, so brauchte er keine Bücher zu schreiben’.
Oom had behalve een groot huis in de stad ook een zomerresidentie. Die lag niet ver van Altona aan de Elbchaussee en had, hooggelegen,  een prachtig uitzicht over de Elbe en Das Alte Land aan de overzijde daarvan. Heine hield er met zijn oom en zijn oom met hem, een haat-liefde verhouding op na. Oom steunde neef zijn leven lang, maar niet zonder donderpreken vooraf en vermaningen achteraf. Neef dichtte vilein over oom en noemde zijn Sommersitz



Het Gärtnerhaus

Affrontenburg. Het grote huis is eind negentiende eeuw al afgebroken. Van het oorspronkelijke landgoed resteert het Gartenhaus. Eigenlijk Gärtnerhaus, want de tuinman en zijn
familie woonden er. In het tuinhuis bevindt zich de Gartensaal en in die tuinzaal trok Salomon zich graag terug uit de drukte van het grote huis. Ook hadden hij en neef daar hun indring-ende gesprekken. In 1994 stelde mijn vrouw Resi er haar werk ten toon[4].

Uit Harzreise[5]
‘De stad Göttingen, beroemd om haar worsten en universiteit, behoort toe aan de koning van Hannover en omvat 999 stookplaatsen, verschillende kerken, een kraamkliniek, een sterrenwacht, een cachot, een bibliotheek en een raadskelder waar het bier voortreffelijk is. De beek die langs de stad stroomt heet de Leine en dient in de zomer om in te baden; het water is erg koud en op enkele plaatsen zo breed dat Lüder[6] werkelijk een grote aanloop moest nemen toen hij er overheen sprong. De stad moet al zeer lang bestaan, want ik herinner me dat, toen ik mij hier vijf jaar geleden liet inschrijven en kort erna werd uitgeschreven, ze al hetzelfde grauwe, wijsneuzige aanzien had en al volledig van dienders, pedellen, dissertaties, thé dansants, wasvrouwen, compendia, gebraden duiven, Guelfenorden, promotiekoetsen, pijpenkoppen, hofraden, raadsheren, relegatieraden, proffen en andere lolbroeken was voorzien. Sommigen beweren zelfs dat de stad gebouwd is ten tijde van de volksverhuizingen, dat elke Duitse stam destijds een loslopend exemplaar van zijn stam hier heeft achtergelaten en dat van hen alle Vandalen, Friezen, Zwaben, Teutonen, Saksen, Thüringers enzovoort afstammen die nog heden ten dage in Göttingen, in horden en onderling gescheiden door de kleur van hun petten en pijpenkwasten, over de Weenderstraβe slenteren, het op de bloedige kampplaatsen van de Rasenmühle, de Ritschenkrug en Bovenden eeuwig met elkaar aan de stok hebben, nog altijd volgens dezelfde zeden en gebruiken leven als ten tijde van de volksverhuizingen en deels geregeerd worden door hun duces, die opperhanen heten, en deels door hun stokoude wetboek, dat ‘mos’ heet en een plaats in de leges barbarorum[7] verdient.’


Uit Buch Le Grand

Hoofdstuk XII

De Duitse censors -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- domoren ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ .[8]


Uit de stad Lucca
‘En wat blijft de aristocraten over wanneer zij van hun gekroonde middelen van bestaan worden beroofd, wanneer de koningen eigendom van het volk zijn en eerlijk en betrouwbaar regeren, door de wil van het volk, de enige bron van alle macht? Wat moeten de papen wanneer de koningen inzien dat een beetje zalfolie geen mensenhoofd guillotinebestendig kan maken, net zoals het volk dagelijks meer en meer inziet dat hosties de buik niet vullen? Wel, dan blijft de aristocratie en de clerus niets anders over dan een verbond te sluiten en tegen de nieuwe wereldorde te kuipen en te intrigeren.
Vergeefse moeite! Als een vlammende reus schrijdt de tijd kalm voort, onbekommerd om het gekef van bijterige paapjes en jonkertjes hierbeneden. Wat janken ze wanneer ze hun snuit weer eens aan een voet van deze reus gebrand hebben of wanneer deze een keer per ongeluk op hun hoofd gaat staan, zodat het obscure gif eruit spuit! Des te geniepiger keert zich dan hun woede tegen alleenstaande kinderen van de tijd, en omdat ze tegen de massa machteloos staan, proberen zij hun laffe moed te koelen op individuen.
Ach, wij moeten bekennen dat menig arm kind van de tijd daarom niet minder de steken voelt die loerende papen en jonkers hem in het duister weten toe te dienen! En ach, ook al legt zich een aureool rond de wonden van de overwinnaar, toch bloeden ze en doen pijn!’

Uit naoogst I bagni di Lucca
Bezat ik maar het geld van Rothschild! Wat heeft hij eraan? Hij heeft immers geen ontwikkeling, hij heeft van muziek net zoveel verstand als een ongeboren kalf, van schilderkunst net zoveel als een kat en van poëzie net zoveel als Apollo –zo heet mijn hond. Als zulke mensen hun geld een keer verliezen, bestaan ze niet meer. Ik heb binnenpret als de mens zich bij mij perfectioneert. Af en toe onderwijs ik hem zelfs in ontwikkeling. Ik zeg vaak tegen hem: wat is geld? Geld is rond en rolt weg, maar ontwikkeling blijft. Als voorbeeld toon ik hem zijn vriend Nebbich Adolf Goldschmidt; die jongen had geld verdiend en wilde nog meer, net zoveel als Rothschildt, en hij heeft alles verloren en is weer een gewoon mens, een morsdood mens, die de mensen graag zou wijsmaken dat hij nog een beetje leeft, en die ’s nachts voor de spiegel gaat staan en zichzelf vertelt hoeveel miljoenen hij ooit bezat –want niemand anders wil die oude geschiedenis nog aanhoren.
Ja, markies, als zo’n Icarus de zon Rothschildt te na komt, verbrandt hij zijn staatsfondsvleugels en stort omlaag in een zee van nietigheid.
Met het geld, docter, gaat bij zulke lui eer en karakter verloren. Als ik, wat God verhoede, mijn geld verlies, ben ik nog altijd een groot kunstkenner, een kenner van schilderkunst, muziek en poëzie.’ 

Waar de Reisebilder over gaan
In 1835 vormt de publicatie van Heine’s Geschichte der Relegion und Philosophie in Deutschland de aanleiding voor het parlement van de Duitse Bond in Frankfurt om, op aandringen van Pruisen en van de Oostenrijkse kanselier Von Metternich,  Heine een Berufsverbot op te leggen en zijn werk te verbieden. Von Metternich beschouwde Heine als ‘een van de meest scherpzinnige mensen van Europa’ en dus als gevaarlijk voor de bestaande orde. Zowel wat het een als het ander betreft had Von Metternich volledig gelijk.
Heine verwierf zich al jong met de Reisebilder en het Buch der Lieder een grote lezerskring. Het Buch der Lieder was zelfs een wereldsucces. Was dat niet zo geweest, dan had Von Metternich hem uiteraard niet opgemerkt en ook niet ‘gevaarlijk’ te hoeven vinden. Heine presteerde waartoe de wereld de Duitsers eigenlijk niet in staat achtte: het schrijven van wereldliteratuur in de Duitse taal. Reich-Ranicki schrijft (op zijn Heine’s) daarover: ‘Het lyrische genre is aanlokkelijk en tegelijk gevaarlijk. Het was altijd al een toevluchtsoord voor mensen die niets te melden hebben en beslist gehoord willen worden, die willen zingen omdat ze niet kunnen denken, die moeten dichten, omdat schrijven hen onoverkomelijke problemen oplevert. Wat te dom was om te worden gezegd, werd gezongen. Want wie ernstig zong en murmelde, hoefde niet te vrezen dat hem naar de zin en rede van zijn woorden werd gevraagd. Denkers werden in ons land vooral op prijs gesteld als ze dichtten, en dichters als ze niet dachten. Zo was in Duitsland het gedicht vaak een wijkplaats voor schrijvers met of zonder talent, in elk geval met weinig verstand. En dat voor een publiek dat gewillig op hun uitnodiging inging: meezingen, niet meedenken, het is niet anders!’
En daar wilde Heine niets van horen.

Toen Heine zijn Reisebilder schreef verkeerde Duitsland net als Frankrijk en andere Europese landen in de periode na de Franse revolutie en Napoleon, in staat van restauratie. Hoewel  in sociaal opzicht zich de overgang van een feodale maatschappij naar een burgelijke samenleving voltrok  en in economisch opzicht die van een agrarische naar een industriële, waren Duitsland en Oostenrijk monarchaal-bureaucratische staten. In die toestand nam Heine de rol op zich van moderne kritische intellectueel. In de praktijk betekende dat een breuk met de literaire traditie en met het taalgebruik. Heine schrijft, zowel in zijn poëzie als in zijn proza, ‘gewoon’ Duits: hij schrijft in de omgangstaal. Ook reizen is modern en dynamisch. De Reisebilder bevatten reisverhalen en behoren in formele zin dan ook tot de reisliteratuur. Die reisliteratuur kende ook toen al verschillende verschijningsvormen. Bijvoorbeeld verhalen die in de geest van de Verlichting zakelijk en instructief  zijn. Een andere vorm is die van de geestige, ironische vertelling met autobiografische elementen. Het voorbeeld daarvan is Laurence Sternes A Sentimental Journey through France and Italy. Heine hanteert in zijn boek beide vormen. Maar misschien meer dan wat dan ook, was zijn grote voorbeeld de Italienische Reise van Goethe. Die ondernam zijn reis naar Italië en vooral Rome ‘op zoek naar zichzelf’. De natuur en de kunst moesten hem inzicht geven in hun wetmatigheden. Hij was op zoek naar ‘objectiviteit’ die hij vooral in de kunst van de Oudheid meende te vinden. Heine’s reizen hebben ook een persoonlijke drijfveer –onrust, onvrede- maar zijn eindbestemming is niet het Rome van Goethe. Zijn reisdoel is de moderne maatschappij met al zijn bewegingen en tegenstrijdigheden, inclusief de ideëen van de Franse revolutie. Hij is niet van de restauratie maar van de emancipatie. De vorm van de Reisebilder noemde Heine zelf ‘lapwerk’. Het ging om ‘stoppen’, ‘breien’ en ‘stukken inzetten’. Het is een samenstel van journalistiek, autobiografie, fictie, polemiek, essay en documentaire. En dat op een toon die wisselend is van stijl: van parodie, satire, ernst, romantiek en scherpe kritiek. Daarmee schiep Heine een nieuw, open, genre.
En hij had succes, zijn werk werd geprezen en gelezen. De kritiek was overigens ook niet mals, al kwam die vooral uit de conservatieve hoek. Heine was subjectief, maar vooral ook een verrader van Duitsland, een knoflookvreter en een schaamteloze Jood. Maar Heine’s scherpzinnigheid, zijn briljante en eenvoudige manier van schrijven, kortom zijn genie heeft het van al die conservatief achteruitstrevende dorknopers gewonnen: Heine is wereldliteratuur.



Heine in 1829, tekening van Franz Theodor Kugler

  
Tenslotte
Heine werd op 13 december 1797 in Düsseldorf als oudste zoon van een Joodse familie geboren en hij stierf op 17 februari 1856 in Parijs. De laatste acht jaar van zijn leven bracht hij doodziek door in bed, zijn beroemde Matratzengruft. Jarenlang werden hem allerhande ziekten toegedicht, uiteindelijk heeft recent onderzoek uitgewezen dat hij een chronische lood-vergiftiging had.
Heine werd geboren in een tijd dat Düsseldorf bezet was door de Fransen. Een bezetting die tot 1815 duurde toen Nordrhein-Westfalen Pruisisch werd. Sommige Heine haters, en die waren er in maten en soorten, vonden dan ook dat Heine geen Duitser was maar een Fransman.
Zijn vader was koopman, maar geen erg succesvolle. Zijn moeder was de dochter van een arts en een ontwikkelde vrouw. Toen het vaders bedrijf slecht ging, zond moeder Heine haar oudste zoon naar Hamburg. Daar woonde oom Salomon Heine die bankier en zeer rijk was. Heine zou bij hem in de leer en in de bank gaan. Zoals we inmiddels weten is dat niets geworden. Op kosten van oom ging Heine vervolgens rechten studeren, achtereenvolgens in Göttingen, Bonn, Berlijn en Göttingen. Daar promoveerde hij in 1825. In Berlijn volgde hij ook de colleges filosofie van Hegel. Kort na zijn promotie bekeerde hij zich tot het christendom, althans tot de Lutherse kerk. Later trouwde hij katholiek. Opnieuw Joods worden, zei Heine op het laatst van zijn leven, was niet nodig want hij was altijd Jood gebleven.
Heine had snel succes met zijn werk. Hij werd veel gelezen en hij werd beroemd, ook ver buiten Duitsland. Door de helderheid van zijn taal en de Klarsinn, het intuïtief doordringen tot de kern van de dingen, zijn zijn verzen meer dan van welke andere dichter ook op muziek gezet. Uit het Buch der Lieder alleen al tienduizend keer! Van ‘Du bist wie eine Blume’ bestaan 399 orginele toonzettingen. Wie in de negentiende eeuw liederen componeerde deed dat op teksten van Heine, Schubert, Schumann, Mendelsohn, Brahms, Liszt, Wagner, Hugo Wolf, Bruckner, Rachmaninov. En later Carl Orff en Hans Werner Henze. Ondanks dat en het feit dat zijn uitgever Campe van de verkoop van Heine’s boeken zeer vermogend werd, moest Heine voor een belangrijk deel leven van krantenartikelen, de steun van zijn oom Salomon en een uitkering van de Franse overheid.
In 1831 verliet Heine Duitsland en ging naar Parijs waar hij tot zijn dood bleef wonen. Hij ontvluchtte het bekrompen, nationalistische Duitsland in de (onterechte) verwachting dat de revolutie van 1830 in Frankrijk het élan van de grote revolutie van 1789 zou doen herleven. Presser schreef over Heine’s maatschappelijke engagement in 1956:
‘Ik wil niet te grof generaliseren, maar ik meen dat men onder zijn (Heine’s) vijanden ongemeen veel plebejers, bekrompenen, kwakzalvers, schijnheiligen, mislukkelingen, fanatici, afgunstigen aantreft, om mij tot deze zeer beknopte keuze even te beperken. Hij onthulde de laagste instincten van een deel van het Duitse intellect, van de horige hoogleraar tot de vlegelachtige corpsstudent; hij was de stoorzender in een atmosfeer vol zelfvoldaanheid en banaliteit; hij desinfecteerde de muffe alkoven van de Duitse kleinburgers; met niets meer dan een pen in zijn hand en zijn lezers achter zich, bestreed hij maatschappelijk onrecht en politieke reactie, ontmaskerde hij de bourgeois-moraal van zijn tijdgenoten, hun lafheid, ijdelheid, platvoersheid en zelfoverschatting.’[9]












[1]  (De ook Joodse) Marcel Reich-Ranicki (1920) is een van de belangrijkste Duitse literatuurkenners en –critici. Hij werkte decennia lang voor Die Zeit en de Frankfurter Allgemeine en was ook hoogleraar moderne Duitse letteren.
[2]  Der Fall Heine, 1997. Nederlandse vertaling van Théo Buckinx, De kwestie Heine, 1998, Uitgeverij de Prom.
[3]  Dit speelt zich in Leiden af.
[4]  In de toenmalige Galerie L van Charlotte Gräfin von Finckenstein.
[5]  Alle hierna volgende stukken beginnend met Uit komen uit de uitgave Reistaferelen, Atlas 2003, vertaling Wilfred Oranje.
[6]  Wilhelm Lüder, een student uit Göttingen die beroemd was om zijn fysieke kracht.
[7]  De wetten van de barbaren.
[8]  Een parodie op het werk van de censoren. Overigens komt een dergelijke grap ook voor in Sternes Tristam Shandy.
[9]  Uit het befaamde voorwoord dat Presser schreef voor zijn bloemlezing van Heine’s poëzie.