Dit wordt het laatste hoofdstuk van mijn boekje-in-wording. De delen I en III fungeren als een soort boekensteunen van deel II, het middendeel, dat over mijn geboorte en eerste jaren in Duitsland gaat.

Michel de Montaigne
Montaigne / Valleton
Michel de Montaigne hekelde de ‘nouveaux riches’ die, wanneer ze genoeg geld hadden verdiend, bijvoorbeeld met de handel in wijn, een kasteel kochten waar een predikaat aan was verbonden. Zo, vond hij, rommelden deze bourgeois zich de adel in. Kennelijk was hij zich niet bewust van zijn eigen familiegeschiedenis. Michel de Montaigne’s overgrootvader, Raymon Eyquem, werd in 1402 geboren als eenvoudig burger die zich ontpopte tot een succesvol handelaar in haring en wijn. Rijk geworden trouwde hij zich omhoog in de bovenlaag van de bourgeoisie van Bordeaux en op latere leeftijd kocht hij een kasteel met predikaat uit de 14e eeuw: het château Montaigne. Michel’s grootvader vergrootte het bezit van geld, huizen en land en zijn vader, Pierre Eyquem wist de op zich onbeduidende landadelijke titel op te waarderen door dienst te nemen in het leger van Frans I. En behalve dat bekleedde hij tal van openbare functies waaronder die van burgemeester van Bordeaux. En zo kon het dus kennelijk komen dat Michel de Montaigne het gevoel had dat zijn adel van meet af aan van adel was.
Het kasteel Montaigne ligt ten westen van Bergerac, ten oosten ervan liggen de kastelen Garraube en Boissière. De laatste twee waren eigendom van de familie Valleton. Inderdaad, rijk geworden met de handel in wijn. De Valleton’s zijn mijn voorouders van moeders kant. Ten tijde van Michel de Montaigne waren zij nog ‘gewone’ burgers van Bergerac. De kastelen en de titels kwamen later. De twee families zullen elkaar in Montaigne’s tijd niet hebben gekend. Hoewel ik aanneem dat toen Michel de Montaigne –net als zijn vader daarvoor- burgemeester van Bordeaux was, ze dat in Bergerac wel wisten.
Château de Montaigne
Château de Garraube
De bibliotheek van Michel de Montaigne
Hoe ik seigneur de montaigne ontmoette
Wanneer je in onze tijd fysiek zou willen verhuizen naar de 16e eeuw, is dat –anders dan in de middeleeuwen toen bilocatie nog bestond- onmogelijk. Wellicht zou de tijdmachine van professor Barabas uitkomst kunnen bieden of een advies van Negro Kaballo, het paard met gymnasium uit Erich Kästner’s De 35ste mei. Ook heb ik aan Hendrik Willem van Loon gedacht. In zijn boek Pioniers der Vrijheid, dat ik als jongen las, ontving hij talloze, al lang dode, historische figuren in zijn huis in Veere. Maar uiteindelijk, moest ik helaas vaststellen, restte er maar één manier: die van de geest. Zo ontmoette ik Montaigne eerst door zijn Essais en zo ben ik later met hem in gesprek geraakt.
Vraaggesprek[1]
Mijnheer de Montaigne, het is mij een grote eer om hier, in Uw schitterende bibliotheek, met U van gedachten te mogen wisselen. Mijn eerste vraag gaat, als U het mij toestaat, over hoe U schrijft. Heeft U een methode en zo ja, welke is dat?
Mijnheer! De enige die mijn argumenten in het gelid zet, is het toeval: al naar de gedachten mij invallen, schrijf ik ze op. Ze komen nu eens in zo groten getale dat ze elkaar verdringen, dan weer druppelen ze een voor een binnen. Ik wil laten zien hoe ik gewoonlijk en van nature mijn gang ga, al is dat nog zo onordelijk. Ik geef uiting aan mijn gedachten zoals ze in mij opkomen. Daarbij komt dat de door mij behandelde zaken niet van dien aard zijn dat het onaanvaardbaar is als ik er niets van af weet of er terloops en zonder veel diepgang over praat. Ik zou de dingen best graag beter willen doorgronden, maar voor dit inzicht wil ik niet de prijs betalen die ervoor staat. Ik ben van plan de rest van mijn leven aangenaam door te brengen, zonder zware inspanning. Voor niets ter wereld zou ik mij hoofdbrekens willen bezorgen, zelfs niet voor de wetenschap, hoe waardevol die ook is. Al wat ik verlang van een boek is dat het mij op een gedegen manier bezighoudt en vermaakt; en voorzover ik studeer ben ik er alleen maar op uit de kennis over mijzelf te verdiepen en te leren hoe ik op de juiste wijze moet leven en sterven: Dit is de finish, waar mijn paard in het zweet heen moet.[2]
U schrijft dus associatief, leest U ook zo?
Als ik genoeg heb van het ene boek, neem ik een ander; en ik geef mij er alleen dan aan over als het nietsdoen mij gaat vervelen. Omdat ik de klassieken rijker en spannender vind, houd ik mij nauwelijks met de modernen bezig, maar ook niet met de Grieken, omdat in mijn jeugd mijn kennis van het Grieks[3] te beperkt is gebleven om er vat op te hebben. Tot de eenvoudigweg vermakelijke boeken uit de moderne tijd reken ik Boccaccio’s Decamerone, Rabelais en de Basia van Janus Secundus[4], als die in deze categorie thuishoren: zij zijn het waard om aandacht aan te besteden. De Amadis[5] en dergelijke geschriften konden mij zelfs in mijn jeugd niet boeien. Het klinkt misschien vermetel of verwaten, maar ik moet bekennen dat mijn oude, logge geest niet langer door Ariosto[6] wordt geprikkeld, en zelfs niet meer door de goede Ovidius[7]: de ongedwongen, vindingrijke stijl waarmee hij mij vroeger in vervulling bracht, kan vandaag de dag nauwelijks meer mijn aandacht vasthouden.
Maar u citeert veel klassieken in Uw werk. Bijvoorbeeld Cicero komt veelvuldig voor.
Cicero! Daar noemt U iemand. Ik vind zijn manier van schrijven , en alle stijlen die er op lijken, vervelend: zijn voorwoorden, verklaringen, planmatige opzetten en idiomatische verhandelingen nemen het grootste deel van zijn werk in beslag. Het levendige en kernachtige wordt verstikt onder zijn ellenlange gekunstelde zinnen. Als ik, na hem één uur te hebben gelezen, wat voor mijn doen lang is, naga wat mij er werkelijk van bijblijft, blijkt meestal dat het niets dan wind is, en dan is hij nog steeds niet toegekomen aan de argumenten waarop zijn betoog steunt, of aan de kern van de zaak waarop ik gespitst ben. Omdat ik alleen maar wijzer wil worden, en niet knapper of welsprekender zijn die staaltjes van aristotelische redeneerkunst[8] niet aan mij besteed; ik wil dat een auteur met de hoofdzaak begint; wat dood en wellust is, weet ik best, die begrippen hoeft hij niet uitgebreid te ontleden. Ik ben van meet af aan op zoek naar sterke, overtuigende redenen om mij tegen deze twee machten te weer te stellen. Dat leer ik niet van taalkundige spitsvondigheden of vernuftig geconstrueerde zinnen en redenaties. Ik verlang naar betogen die meteen insnijden op de kern van het probleem, maar de zijne draaien om de hete brij heen. Ik wil niet dat iemand mij er met mijn haren bijsleept en wel vijftig keer als een heraut tegen mij roept: ‘Luister goed!’ Bij hun godsdienstoefeningen zeiden de Romeinen: Hoc age (let op), zoals wij in de mis Sursum corda (verhef Uw hart) zeggen. Voor mij zijn het louter overbodige woorden. Ik heb zelf voldoende in huis en kan het zonder kruiden of sauzen stellen. Ik doe mijn maal zonder toespijs. Door al die entrees en voorgerechten wordt mijn eetlust niet opgewekt, maar juist bedorven.
In het algemeen verlang ik naar boeken die kennis toepassen, niet naar boeken die kennis opkloppen.
Seneca, Plutarchus, Plinius en hun gelijken gebruiken geen Hoc age; die willen lezers hebben die uit zichzelf al op hun qui-vive zijn.
U vindt Cicero dus eigenlijk slappe thee. Pardon, thee zegt U niets. U vindt Cicero een beetje een zeur.
Tja. Over Cicero deel ik de gangbare mening dat hij behalve zijn kennis niet veel voortreffelijke eigenschappen bezat: hij was een brave burger, goedaardig, zoals de meeste dikke en uitbundige mensen; maar eerlijk gezegd wel een grote slapjanus en een ambitieuze ijdeltuit. En ik kan hem maar moeilijk vergeven dat hij zijn poëzie goed genoeg vond om gepubliceerd te worden. Dat iemand slechte verzen schrijft is nog tot daaraan toe, maar dat hij niet heeft beseft dat ze een smet wierpen op zijn roemrijke naam, getuigt van gebrek aan inzicht. Maar zijn welsprekendheid is beslist weergaloos. Volgens mij zal niemand hem daarin ooit evenaren.
Dank voor Uw uitvoerige antwoord. De toekomstige lezer heeft zo zeker een beeld gekregen van hoe U schrijft en leest. Nu wil ik U, als U het mij toestaat, nog enkele vragen stellen op ander gebied. Het is moeilijk kiezen want U heeft eigenlijk over alles geschreven. Maar ik ben, gezien de omstandigheid waarin ik verkeer, vooral geïnteresseerd in Uw opvattingen over de dood. U hebt daarover, ondermeer, geschreven dat ‘filosoferen leren is hoe te sterven’. Kunt U mij dat uitleggen?
Het spijt me, maar ik moet het dan toch nog even over Cicero hebben. Cicero zegt dat filosoferen niets anders is dan je voorbereiden op de dood. Dit is zo, omdat studie en beschouwing onze geest min of meer van onszelf verwijderen en hem bezighouden buiten ons lichaam, een toestand die lijkt op de dood en daar in zekere zin een les in is; of omdat alle wijsheid en menselijke redenatie uiteindelijk hier op neerkomen dat zij ons leren niet bang te zijn om dood te gaan. De dood is onvermijdelijk. Maar, als wij er bang voor zijn, is hij een gestage bron van lijden, waarvoor geen enkele verlichting bestaat. Er is geen plaats waar hij niet bij ons kan komen; al kijken wij voortdurend naar alle kanten om ons heen, als in een vijandig gebied: altijd hangt hij ons boven het hoofd, als Tantalus’ rotsblok.[9]
De eindbestemming van ons leven is dus de dood, dat moeten wij dan ook in de gaten houden. Want, hoe kunnen wij, als de dood ons afschrikt, ook maar één stap voorwaarts doen zonder dat het zweet ons uitbreekt? Geen mens is zo afgeleefd of hij zal, zo lang hij nog niet zo oud is als Methusalem, denken dat hij nog wel twintig jaar mee kan.
Horatius schrijft: ‘Denk bij elke dag die aanbreekt dat het je laatste is. Dan kan je blij zijn met alle onverhoopte uren’.
Ja, dat is ook zo. We weten niet waar de dood ons opwacht, laten we hem dus overal verwachten. Je instellen op de dood is je instellen op de vrijheid. Als je geleerd hebt hoe je sterven moet, heb je afgeleerd slaaf te zijn. Als je op de dood bent voorbereid, ben je los van alle onderworpenheid en dwang.
Waar de essais over gaan
Een opsomming.De Essais van Michel de Montaigne gaan over: de ledigheid, de vriendschap, de eenzaamheid, de wisselvalligheid van onze daden, het oefenen, het berouw, de kunst van het discussiëren, over hoe men pas na onze dood over ons geluk kan oordelen, dat filosoferen leren is hoe te sterven, over een gewoonte op het eiland Cea, over hoe te oordelen over andermans dood, over de ervaring, over enige verzen van Vergilius, de verwaandheid, de ijdelheid, het uiterlijk, kannibalen, het geweten, de wreedheid, over lafheid als de moeder van de wreedheid, over het bestraffen van de wreedheid, over koetsen, kreupelen, schoolfrikken, over de opvoeding, de genegenheid van ouders voor hun kinderen, over dat kinderen op hun ouders lijken, over onze gevoelens die voorbij het leven reiken, over dat ons gemoed zijn emoties af reageert op de verkeerde dingen als de echte ontbreken, over leugenaars, het doen van voorspellingen, de macht van de verbeelding, over wie zich inbeeldt dat hij uit kan maken wat waar is en wat niet, over een dwaas is, over dat wij om hetzelfde lachen en huilen, over de ijdelheid van woorden, loze spitsvondigheden, over dat er morgen weer een dag is, over boeken, over het logenstraffen, over wat nuttig en eerbaar is, over hoe je een goed gebruik kan maken van je wilskracht, over verschillende methodes die tot hetzelfde doel kunnen leiden, over standvastigheid, over dat de een zijn brood de ander zijn dood is, over gewoontes en dat je eenmaal aanvaarde wetten niet zomaar veranderen moet, over wisselende uitkomsten bij eenzelfde doelstelling, over dat wij bescheiden moeten oordelen over Gods beschikkingen, over dat het Fortuin vaak gelijke tred houdt met de rede, over de ongelijkheid onder ons mensen, over het bidden, over onze tijd van leven, over hoe onze geest in zichzelf verstrikt raakt, over dat onze verlangens toenemen als ze worden tegengewerkt, over roem, over duimen, over een gedrochtelijk kind, over drie vormen van omgang, over afleiding en over de nadelen van een hoge positie.
Denkwijze en manier van schrijven. Je kan zeggen dat de denkwijze van Montaigne drie fasen heeft gekend: een eerste stoïcijnse, een tweede sceptische en een derde epicuristische. Maar omdat hij zijn Essais steeds met nieuwe gedachten en ideeën is blijven aanvullen, zonder de eerdere te schrappen, lopen die drie fasen nogal dooreen. De Essais wemelen dan ook van de contradicties. Ze zijn letterlijk probeersels, proeven, toetsen, geestelijke experimenten. Dogmatiek is Montaigne totaal vreemd.
Toch iets over zijn drie fasen. De stoïcijnse. In navolging van Aristoteles is Seneca, met wie Montaigne zich verbonden voelde, van mening dat het denken in dienst moet staan van het zoeken naar een juiste wijze van leven. Dat kan alleen wanneer men een zekere onverschilligheid weet op te brengen voor alles wat pijn of plezier veroorzaakt. Men had er in Montaigne’s tijd (en later trouwens ook) dan ook geen moeite mee om het stoïcisme en het christelijk geloof met elkaar te verbinden. In zijn tweede fase neigt Montaigne steeds meer naar een sceptische levensvisie. De kern daarvan is dat iets mooi of dwingend kan worden gezegd, maar dat wil dan nog niet zeggen dat het noodzakelijk waar is. Uiteindelijk is alles subjectief en dus ook relatief.
Hoewel Montaigne katholiek was, lijkt zijn beweeglijk scepticisme z’n atheïsme te omhullen. Montaigne’s epicurisme of hedonisme kan worden getypeerd door het verspringen van zijn aanvankelijke –stoïcijnse- idee over de dood, namelijk dat het leven in de dood zijn eigenlijke einde en bestemming vindt naar het leven als doel op zich waar de dood van buitenaf een einde aan maakt. Het leven zelf en het genieten ervan wordt steeds belangrijker voor Montaigne, zo belangrijk dat het niet verstoord moet worden door de gedachte aan de dood.
Over zijn manier van schrijven valt een aantal verschijnselen op die in al zijn Essais voorkomen. In de eerste plaats de grote hoeveelheid citaten die, ingelijfd in het betoog zelf, wezenlijk tot de structuur van de Essais behoren. In onze tijd heeft Cyril Connoly in zijn Unquiet Grave iets vergelijkbaars laten zien. Verder wemelen de Essais van de anekdotes. Meestal zijn dat illustraties bij een eerder behandeld onderwerp, maar vaak ook loopt het uit de hand en wordt de overgang van het een naar het ander onduidelijk. In de Essais ontbreekt iedere vorm van constructie. Montaigne begint zonder vastomlijnd plan. En het komt dan ook regelmatig voor dat de titel van een essay niet of nauwelijks de inhoud ervan dekt. Naar aanleiding van wat hij leest, probeert hij zich een beeld te vormen van zichzelf en daarmee dat van de mens. Hij denkt associatief, zelfs soms nonchalant. Een essay is dan ook nooit af. Het staat steeds open voor nieuwe verhalen, opmerkingen en aanvullingen, zonder dat het overigens in zijn structuur verandert. Montaigne schrijft in een ‘style naturel’[10] , zijn zinnen rijgen zich als van-zelfsprekend aaneen, hij probeert elk cliché of vooroordeel te vermijden. Montaigne’s denkmethode is een vorm van protest tegen een al te geordende rationalistische denkwijze. Hij tastte daarmee, ruim voor Descartes, de ‘schijnbare’ kracht van de vereenvoudigingen van het puur systematisch denken aan. Enfin. Het lezen van Montaigne’s Essais is een verslavende bezigheid. Je hebt voortdurend het gevoel direct met hem in gesprek te zijn. Met een zeer scherpzinnig en bovendien aardig mens. Iemand met wie ik bevriend ben geraakt.
Michel de Montaigne
Michel Eyquem de Montaigne werd op 28 februari 1533 in Bordeaux geboren. Hij stierf op 13 september 1592 op zijn kasteel. Zijn vader, Pierre Eyquem, gaf zijn zoon een humanistische, maar wel erg radicale opvoeding. Als baby werd hij bij een min ondergebracht die in een arm dorp woonde om hem daar op te voeden tot een nederige levenswijze. Vanaf zijn derde had hij een huisleraar die geen Frans sprak. Het was dan ook de bedoeling om Michel in het Latijn te leren spreken. Op zijn zesde ging Michel naar het Collège de Guyenne, een humanistisch bolwerk. Daar bleef hij tot zijn veertiende en leerde er Frans, werd ingewijd in de Latijnse poëzie, het klassieke Grieks, in de retorica en wat verder behoorde tot een humanistische opvoeding. Na het Collège studeerde hij rechten in Bordeaux.
Toen hij één-en-twintig was werd hij benoemd tot raadsheer aan het Cour des Aides (een instelling die over belastingen ging) in Périgueux en die later werd samengevoegd met het gerechtshof in Bordeaux. Daar raakte hij bevriend met Étienne de la Boétie , zijn boezemvriend tot aan diens vroege dood in 1563. Als rechter werd Montaigne geconfronteerd met de eerste processen tegen protestanten, de Hugenoten. In 1561 werd Montaigne als afgevaardigde van Bordeaux naar het hof van Frans II in Parijs gestuurd. Daar bleef hij anderhalf jaar. In 1562 trouwde hij met de veel jongere Françoise de la Chassaigne. Ze kregen zes dochters waarvan er maar een in leven bleef. In 1568 stierf Montaigne’s vader en erfde hij zijn kasteel. Hij trok zich vervolgens terug uit de politiek en de rechterlijke macht om zich te wijden aan het lezen en schrijven. Van zijn vriend De la Boétie erfde hij zo’n duizend boeken, de basis van zijn later zo beroemde bibliotheek. Ondanks deze retraite benoemde koning Hendrik IV hem tot kamerheer. Door de moord in 1572 op twintigduizend Hugenoten in de Bartholomeüsnacht was Montaigne diep geschokt. Wie hem leest begrijpt daar alles van. In 1580 verscheen de eerste versie van de Essais. In dat jaar ging hij op reis, ondermeer om in kuuroorden verlichting te zoeken voor niersteenaandoeningen. Hij bezocht Noord Frankrijk, Zuid Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Italië. In Rome verbleef hij langdurig. En daar kreeg hij het bericht dat hij tot burgemeester van Bordeaux was gekozen. Aanvankelijk zag hij daar niets in, maar een bevel van de Franse koning maakte duidelijk dat hij deze benoeming niet kon weigeren. Hij bleef twee termijnen burgemeester, iets wat ongebruikelijk was. Daarna kon hij zich weer tot aan zijn dood aan zijn Essais wijden. Na zijn dood hebben zijn vrouw en Pierre de Brach, advocaat, dichter, uitgever en vriend van Montaigne, de aantekeningen die hij in de laatste editie van de Essais maakte, in het net overgeschreven en voor publicatie klaar gemaakt.
Aan de lezer[11]
Dit boek, lezer, is er een te goeder trouw. Het waarschuwt U vooraf dat ik hiermee slechts persoonlijke en privé-doeleinden heb nagestreefd. Ik heb het net zomin om U te dienen als voor mijn eigen roem geschreven. Daartoe zijn mijn krachten niet toereikend. Het is slechts bestemd voor mijn vrienden en verwanten: als ik hun ben ontvallen (en dat zal weldra het geval zijn), kunnen zij er iets van mijn aard en mijn stemmingen in terugvinden en aldus de herinnering aan mij levend houden. Als het mij te doen was geweest om de bijval van de wereld, zou ik mij mooier en meer bestudeerd hebben voorgedaan. Ik wil dat men mij ziet in mijn eenvoud, gewoon zoals ik ben, ongedwongen en zonder opsmuk: want ik portretteer mijzelf. Hier zullen zowel mijn gebreken als mijn natuurlijke gedaante onverbloemd worden weergegeven, voor zover het fatsoen mij dit toestaat. Als ik onder een van die volken had geleefd waarvan het heet dat zij nog de gelukzalige vrijheid van de oorspronkelijke natuurwetten genieten, weet dan dat ik mij volgaarne spiernaakt had laten zien, ten voeten uit. Dus lezer, ik vorm zelf de stof van mijn boek: het is onjuist Uw tijd te verdoen met een zo frivool en ijdel onderwerp. Vaarwel dus.
[1] De antwoorden van Montaigne zijn ontleend aan de vertaling van de Essais door Hans van Pinxteren, in acht deeltjes, Athenaeum-Polak & Van Gennep, jaren negentig.
[4] De Decamerone bevindt zich in mijn bibliotheek in de uitgave van Athenaeum-Polak & Van Gennep 2003, Gargantua en Pantagruel van Rabelais in een uitgave van Van Gennep 1999 en Janus Secundus De kussen en andere gedichten door J.P. Guépin, Bert Bakker 1991.
[8] Aristoteles was een empirisch denker. Hij formuleerde de organon, een methode om vat te krijgen op ideeën die aanvankelijk onsamenhangend lijken te zijn.
[11] Het voorwoord van Montaigne’s Essais. Vertaling Hans van Pixteren. Het zou ook kunnen dienen -al is dat misschien te ijdel gedacht- als voorwoord van dit boekje, Een voetreis &.


.jpg)